In mei 1965 verscheen in de Star Weekly van Toronto een uitgebreid verhaal van de fotograaf Kryn Taconis over zijn ervaringen in de tweede wereldoorlog, en zijn aanwezigheid bij de schietpartij op de Dam. Kryn was in de oorlog werkzaam voor het verzet en lid van de Ondergedoken Camera en trok veel op met Ad Windig.


20 JAAR GELEDEN – CANADEZEN BEVRIJDEN AMSTERDAM
Twintig jaar geleden, deze week, braken Canadese troepen de ketenen van de nazi-bezetting die Amsterdam vijf lange jaren in hun greep hadden gehouden. Op deze pagina’s vertellen twee mannen die erbij waren en nu op de redactie van The Star Weekly werken, hun verhaal, in woord en beeld, over die historische gebeurtenis.
Ieder van hen zag de bevrijding vanuit een ander perspectief. Kryn Taconis, een fotograaf van het Nederlandse verzet, bevond zich in de stad. Gedurende de hele bezetting legde zijn camera een intiem, samengesteld beeld vast van een grote stad die in gevangenschap verkeerde. John Clare, oorlogscorrespondent voor The Toronto Star, betrad de stad op dezelfde dag als de eerste Canadese eenheden.
Het gelukkige einde van het Amsterdamse verhaal begon zich te ontvouwen op 5 mei 1945, toen luitenant-generaal Charles Foulkes, namens het Eerste Canadese Leger, de onvoorwaardelijke overgave van de Duitse troepen in Nederland aanvaardde. Maar twee dagen later, op 7 mei, openden Duitse troepen, die zich nog steeds in Amsterdam bevonden en nog steeds bewapend waren, het vuur met machinegeweren op burgers die zich op de Dam hadden verzameld om de eerste geallieerde patrouilles te verwelkomen, zoals te zien is in een van hun verkenningsvoertuigen op deze foto.
De Duitsers hadden op 10 mei 1940 voor het eerst toegeslagen en na een vierdaagse blitzkrieg die eindigde met het moedwillige bombardement op Rotterdam, was de oorlog voor de Nederlanders voorbij. Hoewel de oorlog voorbij was en de lange nacht van slavernij was begonnen, was het vechten in Holland nog niet voorbij. Het Nederlandse volk bleef, via hun vindingrijke verzetsstrijders, hun veroveraars lastigvallen.
Kryn Taconis bevond zich in 1940 in Noord-Holland toen de Duitsers aanvielen. “Het was helemaal niet zoals ik me een oorlog had voorgesteld,” herinnerde hij zich onlangs. “Ik had het idee dat soldaten in linie over de velden oprukten en vechtend de strijd aangingen. Maar de eerste Duitsers die ik zag, zaten op motoren of in auto’s en reden zo’n 80 kilometer per uur. Ik ben teruggegaan naar Rotterdam, waar mijn ouders woonden, en tegen de tijd dat ik thuis was, waren de Duitsers al in Parijs, nadat ze kleine detachementen hadden gedropt om hun overwinning veilig te stellen.”
Hij werkte een jaar in een vluchtelingencentrum in Rotterdam en ging vervolgens, met een identiteitskaart waarop stond dat hij voor zijn vader, een groenteleverancier, werkte, naar Amsterdam om fotografielessen te volgen.
Zijn papieren gaven hem de vrijheid om zich te verplaatsen. In de donkere kamer waar hij werkte, kreeg hij vreemde opdrachten: valse identiteitskaarten voor Joden, kopieën van wat leek op buitgemaakte Duitse documenten. Langzaam maar zeker werd Kryn onderdeel van het verzet. In mei 1943 werd hij samen met een vriend, een sleutelfiguur in het verzet, opgepakt. Toen hun dekmantel niet door de Gestapo-verhoren aan het licht kwam, mochten ze vrijkomen.
Taconis bleef voor het verzet werken, maar nu als fotograaf, lid van de “Ondergedoken Camera” die het verhaal van de bezetting vastlegden. Soms doken de foto’s in de vrije wereld op als propagandabeelden. Maar zijn taak was vooral om een fotografisch archief te maken en tegelijkertijd legaal de kost te verdienen als commercieel fotograaf.
Taconis herinnert zich de ochtend waarop hij de foto op deze pagina nam. “Een vriend van mij, de fotograaf Ad Windig, en ik woonden niet ver van de Dam, het centrale plein van Amsterdam. Op de ochtend van 7 mei liepen we naar het plein, aangetrokken door de opwinding die er hing.
“Over ons vloog een geallieerd vliegtuig en vervolgens reden drie gepantserde verkenningsvoertuigen met Britse troepen het plein op. De menigte werd groter en enthousiaster en zelfs nadat de voertuigen waren weggereden, bleven de mensen opgewonden ronddwalen.”
Later zou hier een tragedie plaatsvinden toen de Duitsers voor de laatste keer aanvielen.
Fotobijschrijften: Portret van Kryn Taconis, zoals hij verscheen als fotograaf voor het Nederlandse verzet. Veel van de foto’s die u op deze pagina’s zult zien, zijn genomen met een camera die verborgen zat in deze aktetas en door het gat fotografeerde dat zichtbaar is bij zijn linkerhand. Oorlogscorrespondent John Clare (rechts), gefotografeerd toen hij in dienst was bij de RCAF.


‘Het geluid van laarzen vulden onze droevige dagen en nachten’
Kryn Taconis herinnert zich: “De Duitsers leken altijd door onze straten te marcheren.
Omdat er een avondklok was om 8 uur en soms zelfs om 6 uur, lagen we vaak in bed en luisterden we naar het afschuwelijke ritme.
Taconis en zijn vrienden in het verzet trokken zich weinig aan van de avondklok. Met hun schoenen met rubberen zolen konden ze zich geruisloos door de donkere straten bewegen. De Duitsers kondigden hun nadering altijd aan met het gekletter van hun spijkerlaarzen, waardoor de Nederlanders tijd hadden om zich in de schaduw te verschuilen.
De foto linksonder op de tegenoverliggende pagina is door Taconis genomen met zijn cameraatje in een aktentas op “Dolle Dinsdag”, 5 september 1944. Geallieerde parachutisten waren geland bij Arnhem en Amsterdam bruiste van de geruchten. De bevrijding was nabij – de Duitsers waren afgesneden, de oorlog zou spoedig voorbij zijn. Zelfs de nazi’s, die feit en onzin niet van elkaar konden onderscheiden, waren al ingepakt en klaar om te vertrekken, net als de parachutist op deze foto. Hij is zo in beslag genomen dat hij niet eens de moeite heeft genomen om het “Bulletin van de Waarheid” te verwijderen, een ondergrondse poster die achter hem aan de muur hing.
Mijn vriend Ad en ik begonnen tijdens de laatste vreselijke winter van 1944-45 met het loswrikken van straatstenen (prachtig teakhout uit Suriname, Nederlands-Guyana) voor brandstof.
Met een kinderwagen vulden we ’s nachts onze garage met genoeg hout voor de winter. De eerste steen, net als de eerste olijf in een fles, was moeilijk te krijgen, maar daarna kwamen ze makkelijk,” herinnert Taconis zich. Al snel sloeg het idee aan en Amsterdammers, wanhopig op zoek naar brandstof, braken brutaalweg overdag straten open, zoals op deze foto rechtsonder.
Een van Taconis’ meest aangrijpende herinneringen aan die jaren is die aan de kinderen van Amsterdam. “Ze zagen eruit als kleine oude mannetjes – stoer, uitdagend en hongerig.” Soms lieten de Duitse soldaten hen hun eetgerei schoonmaken. Er was weinig eten thuis, dus veel kinderen, zoals dit jongetje, droegen hun lepels hoopvol bij zich aan hun riem, waar ze ook gingen.”


Jongens stierven op straat terwijl de nazi’s feestvierden.
Deze jongen was brandstof aan het verzamelen voor zijn familie toen hij van de honger in elkaar zakte op een straat in Amsterdam. De hele laatste winter van de bezetting zaten de Nederlanders zonder licht en verwarming.
“Mijn vriend Ad en ik brachten hem naar een ziekenhuis, maar hij stierf een paar weken later. We hebben zijn naam nooit geweten,” zei Taconis onlangs.
Voor de Duitsers, die ervan overtuigd waren dat zij inderdaad het superieure ras waren, waren de Nederlanders over het algemeen een bron van ergernis. Iedereen wist dat de meeste Amsterdammers uitstekend Duits spraken, en toch kreeg een soldaat die in zijn eigen taal de weg vroeg niets meer dan een onverschillige schouderophaling.
Uiteindelijk drong het tot sommigen door dat ze niet geliefd waren en dat baarde hen zorgen. “Waarom kunnen we geen vrienden zijn?” vroegen ze. De reden daarvoor was bij sommige Duitse soldaten zelfs na de oorlog nog niet doorgedrongen, toen veteranen met hun vrouwen terugkeerden om hen het Amsterdamse huis te laten zien waar ze waren ingekwartierd. Ze waren gekwetst en verbijsterd toen de Nederlandse burger die
aan de deur van hun voormalige kwartier kwam, hen naar de hel wenste.
Maar niet alle Nederlanders waren onvriendelijk. Sommigen schaamden zich er niet voor om het lekkere eten te delen dat op de tafels stond waar de Duitsers aten. Een paar Nederlandse vrouwen, zoals deze, waren bereid om zich over te geven aan een beetje prostitutie met een dronken nazi-officier. De zwarthandelaar die dit café runde, liet Taconis op een avond binnenglippen toen de Duitsers zich ontspanden met hun Nederlandse vrienden, en hij maakte deze foto.
Toen de bevrijding kwam, werden veel vrouwen die bekend stonden om hun omgang met de Duitsers kaalgeschoren, tot hoongelach van hun landgenoten.
Hoewel de bitterheid bleef voortduren, nam de drang naar wraak af, terwijl de stad zich richtte op de lastige problemen van de vrede.


Eten was het enige waar we het over hadden.
Voor de oorlog consumeerden de meeste Amsterdammers zo’n 3000 calorieën per dag. Aan het einde van de bezetting leverde het officiële rantsoen slechts 665 calorieën op, en dit daalde soms tot 400.
Niemand in bezet West-Europa leed onder de hongersnood die Amsterdam teisterde van september 1944 tot mei 1945.
“Achteraf gezien lijkt het alsof eten het enige was waar we het over hadden,” zei Taconis onlangs. “Het nam zelfs de plaats in van seks als gespreksonderwerp. We hadden te veel honger en te weinig energie om veel aan seks te denken.” Op een dag in februari 1945, toen het gezin met de bonnen naar de buurtwinkel ging, werd gezegd dat het rantsoen die dag het kleine nepbroodje zou zijn dat te zien is op de foto linksboven. Dat was alles – alleen dit kleine, smakeloze broodje. Er was niets meer. De prijzen werden gecontroleerd en zo’n broodje kostte in de winkel ongeveer drie cent. Je kon er eentje op de zwarte markt krijgen voor het equivalent van 10 dollar. Sommige mensen hadden een regeling getroffen waarbij ze al hun bonnen aan de lokale autoriteiten gaven en in ruil daarvoor elke dag een warme maaltijd kregen van een gaarkeuken. De maaltijd was weliswaar warm, maar een onsmakelijke pap. Deze man kon niet wachten om thuis te komen voordat hij zijn rantsoen opat.
Op 3 mei bombardeerden geallieerde vliegtuigen de luchthaven Schiphol in Amsterdam met voedselpakketten. Taconis was daar om deze foto te maken van bijna vergeten delicatessen zoals boter en suiker die zachtjes en prachtig uit de bommenwerpers naar de aarde dwarrelden. In zijn enthousiasme vergat hij bijna te bukken en ontsnapte hij ternauwernood aan een kist met voorraden die door een RCAF-vliegtuig was gedropt.


7 MEI MIDDAG
“Niemand schonk veel aandacht aan de Duitsers bij de ramen en op het balkon van de Grote Club, een van de exclusieve herenclubs van Amsterdam, aan de Dam. We waren te druk bezig met het verwelkomen van de eerste geallieerde troepen die we zagen. Hoewel de oorlog echt voorbij was en de Duitsers verslagen waren, hadden ze nog niet allemaal hun wapens neergelegd. Let op: de soldaat met helm op de stoep heeft zijn geweer nog steeds over zijn schouder.”
15.07
“De Dam bleef vol mensen. Er hing een feestelijke sfeer in de lucht, oude vrienden, van wie sommigen zich tijdens de hele bezetting hadden schuilgehouden, doken weer op.
We probeerden ons aan te passen aan de nieuwe realiteit – we waren na vijf jaar eindelijk vrij. En toen klonken de schoten uit een machinegeweer dat op het balkon stond opgesteld, waar je de soldaten zag staan. De menigte wankelde, en brak uiteen. Ik rende met de rest mee en toen ik terugkwam, zag ik dit.”
15:08 uur
“De dood schreef het einde van wat waarschijnlijk de gelukkigste dag in het leven van deze Amsterdammer zou worden. De grof gemaakte Union Jack die op de stoep in de voorgrond lag, was een van de vele geallieerde vlaggen die als tulpen ontsproten toen de lente van hoop warmer werd.
De archieven tonen aan dat er 22 mensen omkwamen bij deze laatste wrede uitbarsting. Een van mijn scherpste herinneringen is die aan de honderden schoenen die doodsbange mensen achterlieten toen ze vluchtten.”
“Vijf jaar lang hadden we op dit moment gewacht…
…toen kwamen de schoten… en de dood temperde onze vreugde.”


BEVRIJDING
Het was een dag van gelach en geschreeuw, spandoeken en toespraken
door JOHN CLARE
Foto’s van KRYN TACONIS
Net als veel andere Nederlanders raakte ze betrokken bij het verzet door Joodse vrienden te helpen het land te verlaten. Al snel maakte ze deel uit van het ingewikkelde en efficiënte apparaat dat geallieerde vliegtuigbemanningen in Nederland oppikte en via Gibraltar terug naar Engeland vervoerde. Ze vertelde ons dat ze van al haar cliënten die twee Canadezen nooit zou vergeten.
We zaten aan het eind van de dag in de aangename tuin achter een van die smalle huizen aan de Prinsengracht, een charmante grachtenstraat. Het was 8 mei 1945 en eerder die dag was onze kleine groep Canadezen de stad binnengegaan met de eerste Canadese troepen. Nu de Canadese soldaten waren aangekomen, was Amsterdam officieel bevrijd. De spreker was een van de Nederlandse vrienden die we tijdens die lange, tumultueuze dag hadden ontmoet.
“Ik werkte als laboratoriumtechnicus voor een dokter en mogelijk om die reden hadden de Duitsers me een klein benzinerantsoen gegeven, zodat ik het platteland op kon gaan om suikerbieten en andere rantsoenen voor onze patiënten te verzamelen. Dit was handig, want ik kon luchtmachtpersoneel doorgeven aan de volgende in de keten (we wisten nooit wie er achter of voor ons stond; dit was beter als we opgepakt zouden worden) zonder gebruik te maken van het openbaar vervoer.
Ik kreeg mijn twee Canadezen compleet met valse papieren en gekleed in werkkleding. Ze spraken geen woord Nederlands of Duits, dus ik zei ze dat ze het praten aan mij moesten overlaten terwijl ik ze naar een station in de voorsteden bracht tijdens mijn volgende reis naar het platteland. Door ze met de auto te vervoeren, hoopte ik ze langs een lastige controlepost van de nazi’s te krijgen.” “Ik zei tegen hen dat ze rustig op de achterbank van de auto moesten gaan zitten en we vertrokken. Toen we bij de controlepost aankwamen, stopte ik de auto een eindje verderop en liep naar de bewaker om mijn papieren en die van mijn reisgenoten te laten zien. Ik had een verhaal – ik weet niet meer precies wat het was – waarvan ik hoopte dat het zou werken. En dat deed het. Maar toen ik terugliep naar de auto, zag ik tot mijn schrik dat een Duitse soldaat naast ons was komen staan, zijn fiets tegen de auto had gezet en met de twee Canadezen op de achterbank stond te praten. Ik probeerde een gelijkmatig tempo aan te houden, maar mijn hart bonkte in mijn keel. Misschien moesten we die ene Duitser overmeesteren en door de controlepost heen rennen: misschien moesten we… De soldaat stapte uit de auto, grijnsde en salueerde. Nadat we de slagboom waren gepasseerd en mijn hartslag weer tot rust was gekomen, vroeg ik wat er gebeurd was. ‘Die Duitser stak zijn hoofd door het raam en begon tegen ons te brabbelen,’ zei een van de Canadezen. ‘En wat zei je?’ vroeg ik. De Canadees lachte.” ‘Ik heb hem net gezegd dat hij naar de hel moet. ‘En jullie hebben gezien wat er gebeurde,’ antwoordde hij opgewekt.
De groep in de tuin bestond uit een half dozijn Nederlandse mannen en vrouwen en wij drie Canadezen. De Nederlanders voerden het meeste woord. Ze klonken als mensen die net terugkwamen van een lange, vreemde reis en er hing een sfeer van verwondering, bijna ongeloof, in hun eigen woorden toen ze vertelden hoe het was geweest onder de bezetting gedurende de vijf lange jaren. Ieder sprak om de beurt, alsof hij door een innerlijke drang werd gedreven om hier in deze tuin verslag te doen van zijn recente verblijf in de hel. Als ze hadden gepraat, zou het misschien goed komen. Tenminste dan, misschien, zou het goed komen. Tenminste dan, misschien, zou het beter zijn. Dan zou er tijd zijn om te horen over de dingen die buiten gebeurd waren, in de vrije wereld voorbij de Atlantische Muur van de Duitsers tijdens de stille jaren.
Een vrouw zei het namens de anderen. ‘Ik dacht dat ik nooit meer aan wat er gebeurd is zou willen denken, maar vanavond op de een of andere manier…’ ze haalde haar magere schouders op. Op dat moment schrokken we allemaal op van een kreet, een Een angstige kreet klonk, afkomstig van een achterveranda van het huis ernaast. “Hebben we je wakker gemaakt? Sorry,” zei een van ons tegen de man die naar het raam van de veranda kwam. Hij wreef slaperig over zijn hoofd. “Ik droomde over de oorlog en toen werd ik wakker en hoorde ik jullie praten en rook ik de sigaretten en ik wist niet meer waar ik was. Ik schrok denk ik. De oorlog is voorbij, hè?” zei hij.
Fotobrijschrift linkerpagina:
Opgewekte lifters klimmen aan boord van deze geallieerde vrachtwagen om hun bevrijders door de woonwijk van Amsterdam te escorteren op 8 mei. In het regimentsdagboek van een Canadese eenheid aan de westkust staat de volgende aantekening: “Deze dag zal nooit vergeten worden in de geschiedenis van de Seaforths.”
Fotobijschriften rechterpagina:
Deze Canadese soldaat toont maskers van Stalin, Roosevelt en Churchill. Hij staat op een van de grachtenstraten van Amsterdam.
Duitse officieren marcheren door een Amsterdamse straat naar hun gevangenschap. De altijd aanwezige dreiging om naar het Russische front te worden gestuurd is voorgoed voorbij.


‘Je moest gewoon je eigen Canadees regelen. Hij was je paspoort naar elke plek in Amsterdam.’
Een van de Canadezen gooide hem een paar pakjes sigaretten toe. De jonge vrouw, die er een hobby van had gemaakt om ontsnapte piloten te helpen ontsnappen aan de Duitsers, vertelde over haar eerste Amerikaanse klant!
“We waren zo enthousiast toen we later in de oorlog hoorden dat we onze eerste Amerikaan zouden krijgen,” zei ze lachend. “We hadden Canadezen en Engelsen gehad, maar geen Amerikanen, dus we wilden hem extra hartelijk verwelkomen. Ik ging op mijn volgende reis naar het land op zoek naar wat kaas, zelfs een ei en wat vlees, zodat we hem konden vermaken. Ik zat in de kamer boven, de ontmoetingsplaats, toen ik hem voor het eerst hoorde. Hij zong iets over gele rozen die in Texas groeien – en ik was doodsbang dat de Duitse patrouilles hem ook zouden horen. Hij strompelde lachend en zingend de trap op en toen hij me zag, sloeg hij zijn armen om me heen en noemde me ‘Baby’, precies zoals ik Amerikanen in films had zien doen. Ergens had hij iets te drinken weten te bemachtigen. Hij was de enige in die kamer die niet doodsbang was.
Ik probeerde hem te laten praten over de volgende stap in de ontsnappingsprocedure, maar hij zei dat hij eerst iets voor ons had. Toen maakte hij de tas leeg die hij bij zich droeg. Dit waren zijn noodrantsoenen, maar we hadden zoiets al jaren niet meer gezien.” “Er was suiker, koffiepoeder, chocolade en zelfs sigaretten. Plotseling leek het kleine feestmaal dat we hadden voorbereid een beetje triest. Maar wat nog triester was, was het besef, dat ons door al dat eten uit de tas van onze vriend was bijgebracht, dat er een andere wereld bestond die we bijna waren vergeten en die we misschien nooit meer zouden kennen. Ik schaam me ervoor om te zeggen dat ik die nacht een beetje heb gehuild.”
Het was een dag waarop niemand zich schaamde om een beetje te huilen. Het was een dag van tranen en gelach, een dag van geschreeuw, spandoeken en toespraken. En om te voorkomen dat de emoties de overhand kregen, was het ook een dag met een paar onaangename ondertonen, alsof het de stelling wilde bevestigen dat lijden en gevaar de menselijke geest niet per se zuiveren, althans niet alle geesten.
We waren die ochtend vroeg met een jeep via de Utrechtse weg in Amsterdam aangekomen. Volgens de verslagen was het heet en benauwd met goed zicht. Ik weet het niet meer zeker. We waren met zijn vieren: de chauffeur Brownie uit Winnipeg, een soldaat in de lagere rangen; Dick Haviland, een Canadese legerkapitein uit Montreal die nu stadsredacteur is van de Montreal Star; en twee oorlogscorrespondenten, Dick Sanburn van de Southam-kranten en nu hoofdredacteur van de Calgary Herald; en ikzelf, die The Toronto Star vertegenwoordigde, zoals ik ook had gedaan tijdens de campagne in Noordwest-Europa na mijn ontslag uit de RCAF in het buitenland. Deze verslaggever keek met een geoefende verwachting uit naar deze dag, omdat hij, als waarnemer en niet als actieve bevrijder, een kleine autoriteit was geworden op dit soort gelukkige gebeurtenissen. Hij was in dit vak terechtgekomen toen Algiers werd bevrijd en woonde later de openingsceremonies bij van uitgebluste knooppunten als Tunis, Palermo, Taranto, Napels, Foggia en vervolgens de grootste openingsnacht van allemaal: Parijs. Daarna zag hij de lichten weer aangaan in Brussel. Hij zou de bevrijding van Londen van de Amerikanen missen, omdat hij in Tokio zou zijn om te zien hoe generaal MacArthur de Japanners van zichzelf bevrijdde. Maar Amsterdam zou anders zijn, omdat geen enkele stad in West-Europa zo had geleden onder de nazi-bezetting als deze; Amsterdam zou bijzonder zijn, omdat de Slag om Holland grotendeels een Canadese operatie was geweest.
De intocht in de stad zou die dag worden uitgevoerd door twee Canadese eenheden: de Princess Louise Dragoon Guards en de Seaforth Highlanders of Canada.
Toen we om 6 uur ’s ochtends bij een barricade buiten de stad aankwamen, vertelde de sergeant die de leiding had ons dat de troepen er nog niet waren. “Maar ik kreeg de opdracht om dit ding om 6 uur op te heffen, dus hier gaan we dan,” zei hij, terwijl hij ons doorliet. Het ontvangstcomité strekte zich uit tot aan de rand van de stad. Ze waren gekomen om te juichen en ze zouden juichen, zelfs als het enige beschikbare doelwit een jeep vol oorlogscorrespondenten was. Verspreid over het welkomstcomité langs de weg stonden de Duitse soldaten, volledig bewapend en er zeer fit en oorlogszuchtig uitzien, zij het een beetje somber en verbijsterd. Zij juichten niet. De meeste Wehrmacht-soldaten waren springlevend en zagen er competent uit. We hoopten dat ze begrepen hadden dat dit een bevrijdingsfeest was en dat ze zich aan de regels zouden houden.
Het zou misschien prettig zijn om te kunnen melden dat een van de eerste Nederlanders die we ontmoetten
Kryn Taconis was, wiens foto’s u zojuist hebt gezien. Het is mogelijk dat we elkaar tijdens die spetterende dag hebben ontmoet, want onze groep ontmoette duizenden mensen.
“En ze zaten natuurlijk allemaal in het verzet,” zei Taconis onlangs met een cynisme dat zelfs voor een fotograaf scherp was. Deze verslaggever moest toegeven dat veel van zijn kennissen van die dag in een algemeen patroon leken te passen dat hij bij andere soortgelijke evenementen had waargenomen. Een flink aantal, volgens hun eigen getuigenis, waren vrijheidsstrijders van aanzienlijke statuur geweest.
“Het waren klootzakken,” was Taconis’ harde oordeel. Uit zijn expertise begreep ik dat grote verzetsstrijders, net als grote geliefden, het minst over hun specialiteit praten. “Ze zijn meestal te bang om erover te praten – zelfs als het allemaal voorbij is,” zei Taconis.
Maar de massa Amsterdammers dacht er niet aan om in de krant te komen. Deze jeep met
zijn onopvallende lading was een symbool, een symbool van vrijheid, net zoals drie verkenningswagens de dag ervoor waren geweest. De troepen, die nu de stad binnenreden, waren symbolen van de macht die hen op deze dag had bevrijd, en een deel van de 164.000 Nederlanders die in de achttien jaar na de oorlog naar Canada verhuisden, besloot ongetwijfeld die dag dat Canada hun thuis zou worden.
Brownie, de chauffeur, zat voorin de jeep en deelde handtekeningen uit met de allure van een
filmster. In het American Hotel hielden andere Canadezen toespraken over de Nederlands-Canadese betrekkingen (die prima verliepen) en probeerden ze beleefd Hollandse gin te drinken. In het enorme huis van een koopmansprins, mysterieus en donker met schatten uit Oost-Indië, werd champagne ontkurkt en gedronken onder het uitspreken van algemeenheden. De gastheer hoopte dat nu deze onprettigheid voorbij was, iedereen zich weer kon richten op de serieuze zaken.
De Canadezen bewogen zich door de stad langs handen die elkaar vastgrepen, niet opdringerige handen, hoewel het realisten waren die wilden weten: “Zou je een sigaretje willen, Mac?”, maar handen die de hand van de vreemdeling wilden aanraken, handen die door aanraking wilden bevestigen dat het waar was en dat Amsterdam echt weer vrij was.
Taconis herinnerde zich de dag nog levendig toen deze verslaggever er onlangs met hem over sprak. “Het was de bedoeling dat je je eigen Canadees meenam. Hij was je paspoort voor elke plek in de stad. Wij namen er een, een beetje een domme kerel – een sergeant geloof ik – en hij was ons gratis toegangsbewijs voor drankjes in zo’n beetje elke bar in de stad.”
De hele dag trokken we door een wereld van oranje spandoeken, wapperende vlaggen en sentimentele toespraken. Er was tijd voor een uitstapje naar Haarlem, waar bloemen stonden, de bloemen van de lente en de vrijheid. Toen ik Taconis hierover vertelde, was hij verbaasd. “Ik had gedacht dat de Nederlanders tegen die tijd al hun bloembollen hadden opgegeten. Ik weet dat sommige mensen tijdens die laatste bezettingswinter in leven bleven door tulpenbollen te eten,” zei hij.
Laat in de middag werden we naar de Amstelbrouwerij gebracht, waar het verzet zijn eerste open vergadering hield. Eén reünie zou prima materiaal voor een spionagefilm hebben opgeleverd. Een Nederlandse graaf, die
de reputatie van collaborateur heeft, had tijdens de hele oorlog gedronken en bridge gespeeld met Duitse officieren in een club die ze hadden overgenomen. De stukjes informatie die hij van hen had opgevangen
werden doorgegeven om in het verzetsbeeld te passen en uiteindelijk naar Londen te worden gestuurd. Nu werd hij voor het eerst in zijn ware rol onthuld aan mannen die vijf jaar lang zijn naam met een vloek hadden uitgesproken.
Toen er een defilé met het verzet werd georganiseerd, wierp een kleine woordenwisseling een korte schaduw over de vriendelijke verhoudingen binnen de snel vermoeide Canadese groep. Iemand vond het een goed idee als een van de oorlogscorrespondenten een saluut zou afnemen. Er werd benadrukt dat dit niet alleen zeer ongepast was, aangezien oorlogscorrespondenten geen officieren waren, maar ook… nou ja, het zou gewoon ontzettend belachelijk zijn.
Haviland, een van nature bescheiden man, werd overgehaald om Canada in deze kwestie te vertegenwoordigen. Een band, die alle mogelijke rollen vervulde, speelde ‘O Canada’, ‘The Maple Leaf Forever‘ en God Save the King, evenals het eigen volkslied.
Na de ceremonie vertelde een stoere, blonde man ons over een ervaring die hij de winter ervoor had gehad. Tijdens een verzetsmissie werd zijn groep na de avondklok beschoten door een Duitse patrouille en hij werd geraakt. Hij overtuigde zijn metgezellen om hem uit te kleden en in een steegje achter te laten. Daar werd hij gevonden door de nazi’s en hij overtuigde hen ervan dat hij een gewonde landgenoot was. Later ontsnapte hij uit het Duitse militaire ziekenhuis, waar ze hem naartoe hadden gebracht, en sloot zich weer aan bij het verzet.
“Nu,” zei hij, “kan ik bijna niet wachten om naar Nederlands-Indië te gaan en een paar van die communisten te vermoorden.”
In het Amstel Hotel, een van Amsterdams beste oude hotels, kregen we een van de beste suites. Er was geen elektriciteit en we moesten zelf voor ons eten zorgen. Maar de bejaarde ober, een man met aanzienlijke waardigheid die liep alsof hij pijnlijke voeten had, maakte veel goed met zijn witte stropdas en lange jas en de zwier waarmee hij de zilveren warmhoudplaat van onze M&V (stoofpot) haalde.
Zoals ze in een bepaald soort Engelse roman zeggen, spoelden we de stoofpot weg met een goede fles Rijnwijn. De Duitse wijn leek op de een of andere manier wel passend. Het kaarslicht wierp een zachte gloed op het kleine groepje, dat inmiddels bijna uitgeput was van het vrijheidsfeest in Amsterdam.
Sommigen toonden nog een sprankje interesse toen een ongewoon incident de maaltijd even onderbrak.
Een van onze gasten was een jonge vrouw uit het verzet. Toen ze haar handtas iets te hard op tafel zette, ging deze open en rolde er een granaat uit. Langzaam rolde de granaat over de tafel en viel met een onschadelijke plof op het tapijt.
De oorlogscorrespondenten, mannen van een soort die al oorlogsmoeheid konden krijgen van het schrijven over de gevechten van anderen, waren de situatie de baas.
“Zullen we nog wat van die wijn nemen?”, stelden ze in koor voor, met zulke hartelijke stemmen dat ze op zestig centimeter afstand nog te horen waren. En toen brachten we allemaal een toast uit – een toast op Amsterdam.
Bijschriften op deze pagina:
Zelfgemaakte schuilplaats bij Nijmegen (boven) bood onderdak aan vluchtelingen uit Amsterdam tijdens de laatste winter van de oorlog. Hieronder: verslagen Duitsers nabij Amsterdam. De beste troepen werden ingezet aan het Oostfront; de bezettingstroepen bestonden vaak uit zieke afgedankte soldaten.
Ontdek meer van Stichting Memorial voor Damslachtoffers 7 mei 1945
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.