Corry Kuijper-Frank

Corry Kuijper-Frank *1937

Ik ben weduwe en bijna 78 jaar. Ik was twee en een half jaar toen de oorlog uitbrak en mijn vader, die joods was, moest vijf jaar lang halsoverkop onderduiken. Mijn vader was nog niet teruggekeerd uit zijn onderduikadres en niemand kon ons vertellen of hij nog terug zou keren. Hij heeft het overleefd en is in 1975 gestorven.

Ik liep op die bewuste datum met mijn moeder en haar vriendin op de Dam in Amsterdam. Daar zag ik het weeshuis in de Kalverstraat, waar ik enkele weken verzorgd werd met mijn tweelingzusje. Dat was ongeveer vier jaar daarvoor. Mijn moeder lag toen in het Onze Lieve Vrouwengasthuis. Ik werd aan mijn arm gerukt en we vluchtten in een donker portiek, waar we een hele tijd ons verscholen hielden. Ik was heel angstig en wist totaal niet wat er aan de hand was. Niemand zei wat, geen van de vele mensen die er ook stonden. Ik werd haast platgedrukt… Ik heb er twee boeken over geschreven, waarvan het eerste boek heet:

‘Een kind op weg naar Geluk.’

In dat boek staat die dag, die zevende mei 1945, beschreven. En ook andere gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog, die ik meemaakte. Als gevolg van die oorlog verloor ik vlak voor de Bevrijding mijn tweelingzusje Willy. Zeven jaar oud is ze maar geworden.

Het boek ligt ter inzage in het Amsterdams Stads Archief. Het betreffende stuk tekst staat midden in hoofdstuk 3: ‘Waar blijven onze bevrijders?’

Er lopen twee vrouwen en een klein meisje in het centrum van Amsterdam. Ze steken de Dam over en ze lopen naar de Kalverstraat. Het kind geniet zichtbaar van deze wandeling; ze loopt te huppelen tussen hen in. De warmte van de zon streelt haar ruggetje. Even draait ze zich om en dan voelt ze de warmte in haar snoet! De kalme wind strijkt zachtjes langs haar hoofd.

Wat lopen hier veel mensen op straat, denkt ze. Het is inderdaad heel druk op de Dam. Er lopen mannen in blauwe overalls van de Bescherming Bevolking. Aan hun kleding is te zien dat het geen Duitse militairen zijn. Er zal om twaalf uur een belangrijke gebeurtenis plaatsvinden; daarom zijn er zoveel mensen op de been. Aan de toren van de Grote Kerk zal dan de vaderlandse vlag gehesen worden: ROOD WIT EN BLAUW. Hét teken dat ons land bevrijd is, ook Amsterdam dus.

Ze lopen de Kalverstraat nog even in; het is immers nog lang geen twaalf uur, dus ze hebben de tijd. Ineens ziet het kind rechts van haar een bekende deur. Daar is ze enkele jaren geleden met haar zusje vaak in en uit gegaan, als ze met hun groepje gingen wandelen met een begeleidster. Het is de deur van HET BURGERWEESHUIS achterin de bekende inham, genaamd Sint Luciënsteeg. Die naam kent ze natuurlijk niet, maar wel het gebouw!

Daar is ze enige tijd geweest toen ze nog veel kleiner was dan nu, samen met Willy. Ze blijft staan, gebiologeerd kijkend naar de plek waar ze eens heeft gespeeld; nu is de speelplaats leeg.

Ineens klinken er schoten… er ontstaat paniek op straat… mensen schreeuwen, de sirene gaat af… er wordt aan haar arm getrokken … de mensen moeten  rennen voor hun leven en zij ook…

Iedereen vlucht ergens naar binnen. Even later staat ze met een heleboel mensen op een kluitje in een donker trapportaal, waar ze geen hand voor ogen ziet; ze krijgt het er benauwd van want ze kan niet voor of achteruit en amper haar hand naar haar gezicht brengen.

Angstig houdt ze zich vast aan de jas van haar moeder, haar enige houvast op dit moment.

Wat is er toch aan de hand?

Wel, in de Grote Club op de Dam zitten nog manschappen van de Kriegsmarine.

Er zijn in de hele omgeving van de Dam nog Duitsers aanwezig. In de hotels rondom kunnen die maar moeilijk het verlies van de oorlog door hun grote Führer verwerken. Ze komen en masse tevoorschijn en beginnen te schieten op argeloze voorbijgangers. Hun frustratie kent geen grenzen!

In een mum van tijd liggen er veel doden op de Dam. Dat de moffen er nog zijn is men even vergeten in het feestgewoel. Er zijn die ochtend wel wat gewapende groepen van de Raad van Verzet neergezet, maar die kunnen onmogelijk deze plotselinge schietpartij verhinderen.

Deze maandag zal de geschiedenis ingaan als een beruchte maandag, die van de zevende mei 1945. De binnenkomst op de Dam te Amsterdam van de Canadezen wordt een dag uitgesteld. De feestelijke plechtigheid zal verdagen met één dag. De slachtoffers zullen die nooit meer meemaken.

 Aan die slachtoffers ‘op de valreep gevallen’ blijven we denken als we op vijf mei de jaarlijks terugkerende herdenking vieren, op de plaats waar nu  het Nationaal Monument voor de Gevallenen staat. We denken dan tevens aan de mensen die in latere oorlogen het leven hebben gelaten voor een vreedzame wereld. We herdenken alle oorlogsslachtoffers, waar ook gevallen. De strijd gaat maar door… want anno 2008 is er nog steeds geen betere wereld tot stand gekomen, waarbij geweld, honger, onderdrukking en uitsluiting geen rol meer spelen!

 We dwalen af van ons verhaal en gaan snel weer terug in de tijd, 7 mei 1945.

 Het kind mag gelukkig wél meemaken, dat de temperatuur ‘s middags zomerse waarden bereikt. Het wordt die dag wel 21º warm. Ze voelt de zon in haar rug.  Wat een heerlijk gevoel is dat. Andere mensen, die ochtend nog redelijk gezond, zullen de zon nooit meer kunnen voelen. Ze liggen daar op de Dam, dood, en zullen straks opgeruimd worden. Dit alles ziet het meisje niet gebeuren. Wat haar bijblijft, is die enorme mensenmassa; gerén, en vooral: chaos en gegil.

De bevrijding vanaf de vijfde mei 1945 en de dagen daarna zijn door haar niet als een feest ervaren. 

Ze wordt misselijk. Dat gebeurt plotseling, midden in de nacht. Ze geeft over; het is de tweede nacht in dat grote bed.

‘Hoe moet dat nou, Lia?’ vraagt haar moeder angstig, al wakker geworden van het gewoel van haar kind.

‘Ik kan mijn huisdokter toch niet hier laten komen… dat doet hij niet, dat weet ik zeker.’

‘Morgenochtend staat er bij jouw kind een dokter aan haar bed. Iedere dokter hier in de buurt weet dat wij poen hebben. En met poen kun je elke dokter aan je ziekbed krijgen, geloof dat nou maar van mij. De koorden van zijn beurs hebben wij voor hem in handen.’

De arts komt. Het is dysenterie.

Als ze weer aan de beterende hand is, komt ze thuis, samen met haar moeder, in een taxi. Cornelia draagt haar kind op de arm naar boven naar drie hoog.

Voor het eerst voelt het de bezorgdheid van haar moeder. Eén kind heeft deze moeder al verloren en dat kan ook met dit kind gebeuren. Er sterven veel mensen aan dysenterie, ook kinderen. Het heerst erg en de mensen hebben weinig weerstand.

Cornelia heeft er geen vermoeden van dat als een lopend vuurtje rondgaat, dat die moffenhoer weer thuis is. Het kan ook zijn dat ze het wel merkt, maar dat ze zich gewoon nergens iets van aantrekt. Maar ze ziet, dat de mensen blijven staan als ze haar zien en dat er over haar geroddeld wordt. Zelf wordt ze niet aangesproken, door niemand. Het woord moffenhoer hoort ze geregeld vallen. Maar wat niemand weet is, dat deze vrouw niet meer degene is die ze eens was. Ze is een moeder die een kind heeft moeten verliezen. Daar heeft ze verdriet van, net als iedere andere moeder. Wat de mensen van haar denken en zeggen laat haar koud. Gelukkig is zij nog klein.

Een lichtpuntje is, dat er geregistreerd wordt door de Canadezen, wie besmet is met dysenterie en tyfus. De bevrijders worden belast met de uitdeling van de voedselpakketten voor de zieken. Al op 30 april hebben de voedseldroppings plaats gevonden, maar de uitdeling komt pas goed op gang op 17 mei. Het eerst komen dus de zieke Amsterdammers aan de beurt, pas daarna de anderen. Moeder Frank kan 900 gram biscuit, 200 gram vet en een reep chocola ophalen,  het rantsoen per persoon. Dat krijgt ze dus tweemaal en ze is er blij mee. Zweeds wittebrood komt, voor zover het kind zich herinnert, het eerst op tafel en het smaakt heel lekker; net cake.  Heerlijk vindt ze ook de koeken, de dikke vierkante koeken met ‘speldenknopjes’  erin.

Het eten van de gaarkeuken verandert van vieze aardappelschillensoep in goede, voedzame en lekkere warme maaltijden. Het ergste leed is geleden.

Ze wordt beter en ze merkt aan  haar moeder dat die iets minder gespannen tegen haar doet. De smaak van de chocoladetabletten, die ze ook voor het eerst proeft, zal ze nooit vergeten. Er is ook een bus eierpoeder in huis gekomen,  waar dikke ei – pannenkoeken van kunnen worden gebakken. Het kleine meisje en haar moeder genieten volop van deze luxe, maar mamma verwoordt de keerzijde:

‘Fijn, dat we het allemaal krijgen, maar had het maar eerder gekomen.’

Ik wens u en uw stichting succes en misschien kunt u uw zicht op de slachtoffers van toen, door mijn brief, verder uitbreiden. Er is veel gebeurd, die dag, die voor mij geen bevrijding was. De beloofde Nederlandse vlag heb ik niet zien wapperen. Voor mij was de bevrijding geen feest en dat zal het ook nooit worden.

September 2015
Een kind op weg naar geluk
C. Kuijper-Frank
ISBN: 9789081404617

Views: 2124

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *