De laatste terreurdaad van de Duitsers

De Spiegel, 7 mei 1955

Op die beruchte 7de Mei had ik een afspraak gemaakt, die me m’n hele leven heugen zal. In de ongeregeldheden van de feestvreugde om de bevrijding waren we elkaar al een paar keer misgelopen, maar zo zouden we elkaar dan toch ontmoeten; om drie uur voor het stadhuis op de Dam. Iedereen was uitgelaten. Vijf lange jaren lagen achter de rug. De Duitsers hadden het hoofd in de schoot gelegd. Nu zouden de Canadezen komen. Laag dreunden de zware toestellen van de geallieerden over de stad en voor het eerst klonk hun geronk als muziek, want dit keer hoefde er voor bommen en beschietingen niet meer te worden gevreesd. Ergens buiten de stad wierpen zij hun voedselpakketten uit. Eten, sigaretten… voorlopig waren de behoeften voornamelijk op het materieele ingesteld. De Moffen weg, de geallieerden in de stad en dan eten, eindelijk genoeg eten.

Tot dusver was er echter geen enkele gallieerde soldaat te bekennen. In de morgen was er wel een kleine tankgroep over de Vijzelstraat de stad binnengerold, maar die was via de Dam weer verdwenen. En intussen stonden overal de Duitsers nog op wacht, zwaar bewapend en met uitdagende gezichten. Ze hadden de oorlog verloren, maar het was hen bepaaldelijk nog niet aan te zien en het zou aanmerkelijk prettiger zijn, wanneer een paar Canadeze afdelingen de heren ontwapenden. Aan vreugde was echter geen gebrek, maar achter die vreugde zweefde toch een sfeer van onbehagen. Die kerels waren tot alles in staat en er hoefde maar weinig te gebeuren om ze nog één keer in actie te brengen. Maar de menigte, die onder de vlaggenzee van de Kalverstraat en het Rokin deinde naar de Dam — daar zouden de Canadezen komen; iedereen wist het zeker. Betrouwbare berichten enz. — probeerde zo goed mogelijk deze sombere mogelijkheid van zich af te zetten. De B.B.C. had de capitulatie van de Duitsers gemeld en nu moest er dus feest zijn, ook al was er geen geallieerd soldaat in de buurt. UIt het S.S. gebouw naast de Nieuwe Kerk, had ‘s morgens nog een Mof geschoten — en een voorbijganger gedood, zo ging het gerucht — de Grote Club zat nog vol met “Kriegsmarine”, maar vooruit, ze zouden nu toch wel niets meer doen. Zo was de Dam dus gevuld met duizenden, die opgewonden van blijdschap naar het hartje van het land waren gestroomd om daar de vermeende intocht van de Canadezen mee te maken. Sommigen liepen demonstratief met een smalende glimlach op hun lippen langs de afzetting, die de Duitsers rond de Grote Club hadden getrokken, maar verder viel er geen onvertogen woord. En blij als de anderen zocht ik tussen de massa door moeizaam m’n weg naar het Paleis. Het was tegen drieën.

 

Wat er toen verder precies is gebeurd, is met geen mogelijkheid goed te beschrijven. Ik weet dat boven het geroezemoes der vrolijk juichende stemmen opeens een schot weerklonk en ik zag hoe een Duitse schildwacht, boven op het dak van de Grote Club geposteerd, eensklaps naar het midden rende, z’n geweer aan de schouder zette en op de menigte begon te vuren. Maar dit was niet meer dan een flits, want het volgende ogenblik lag ik op de grond en vocht ik als een bezete om me de mensen van het lijf te houden. Bij het eerste schieten was de massa a.h.w. en bloc teruggedeinsd en in paniek op de vlucht geslagen. En de eerste schok had me al onder de voet gelopen. Onder zulke omstandigheden staat je denken verder stil. Je vecht en drukt en duwt, je voelt je kleren scheuren, je voelt het verstikkende gewicht, dat op je drukt steeds sterker worden, met een uiterste ruk krijg je weer wat adem om op het volgende moment weer even hard te worden meegesleurd door de massa die over je valt. Toch blijf je op de een of andere manier helder zien. Je ziet benen, armen, handen, ziet het vreemde model van een schoen, je ziet hoe in een verwrongen gezicht opeens uit drie gaten bloed spat en het merkwaardige is — dat constateer je natuurlijk pas achteraf — niemand zegt iets, niemand schreeuwt, niemand gilt; slechts een verbeten, zuchtend spannen van spieren om vrij te komen. Nogmaals, hoe ik er uitgekomen ben weet ik niet. De druk werd geleidelijk minder, er begon lucht te komen; ik merkte dat ik worstelend was meegesleurd tot aan de hoek van de Amsterdamse Bank; mijn bovenlichaam was vrij, ik trok me voort aan mijn handen — nog een ruk, m’n benen, m’n benen! en dan opeens met achterlating van schoenen, kousen en broek tussen de mitrailleurkogels door de hoek om, het Damrak op en de winkel van Meeuwsen binnen die z’n deur had openstaan. In die gang daar, beneden en boven, stonden meer mensen, toegetakeld als ik, maar blij, ook deze dans weer te zijn ontsprongen. Op de grond lag een man. Hij bloedde, maar niemand kon er iets aan doen. Hij mompelde, dat hij uit Aalsmeer naar Amsterdam was gekomen om hier de bevrijding te vieren. Ik zat op de trap, versuft en met pijn in mijn hele lichaam. Een andere man strompelde binnen. Met z’n ene hand klemde hij z’n pols dicht. Een kogel was er dwars doorheen gegaan…

Later hield het schieten op. Mannen met witte vlaggen, padvinders en personeel van het Rode Kruis trokken karren met gewonden door de verlaten straten. De Dam zag er uit, zoals ik dat alleen maar kende van plaatjes over een revolutie in Zuid-Amerika of St-Petersburg. Stukgetrapte feestartikelen, kromme fietsen, een omgevallen kinderwagen, een verzakt draaiorgel, een man met de armen uitgespreid… Twee en twintig doden en talloze gewonden. Dat was de tol, die de Duitsers op het laatste ogenblik nog eisten van Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

Views: 3749

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.