H.A.L. Trampusch

vnpagina-voorwebsiteOnderstaand is een artikel van Lisette Lewin, gepubliceerd in Vrij Nederland 28 maart 1981

Op 7 mei, twee dagen na de capitulatie, openden Duitse militairen vanuit het gebouw van de Groote Club het vuur op de feestvierende menigte op de Dam. Waarom? En wie zorgde ervoor dat het schieten ophield? Het niet eerder vertelde verhaal van de operatie ‘Three Castles‘.

 

 

Tussen 5 mei 1945, de dag van de Duitse capitulatie en 8 mei, die van de zegevierende intocht der Canadezen, hebben zich nog smartelijke taferelen afgespeeld. Tientallen mensen hebben wel de bezetting overleefd maar de vrijheid niet gehaald. De meest navrante foto van 7 mei is wel die van een na vijf jaar onbruik van stal gehaald draaiorgel waarachter zich zo’n dertig mensen liggend of hurkend verschuilen, terwijl de omvang van dat feestelijke pierement voor zo`n grote groep in het geheel geen bescherming biedt. Een vrachtauto met een opeengedrongen menigte erachter: een vrijwel leeg plein met hier en daar dravende mensen en verspreide lichamen op het plaveisel.

Het is de Dam op de ochtend van 7 mei. De BS (de in 1944 opgerichte Binnenlandse Strijdkrachten) hadden gewaarschuwd: zolang de Nederlandse vlag niet van de openbare gebouwen wappert, is het niet veilig. De uitgelaten massa trok zich daarvan niets aan en de communisten hadden op de Dam een feest georganiseerd. Rode vlaggen zwaaiden er boven vermagerde gezichten. Op diverse plaatsen in de stad werd geschoten. Vanaf de daken van de Nieuwezijds Voorburgwal tot aan het Algemeen Handelsblad vuurden Duitsers en BS over en weer op elkaar. Als een kat in het nauw vuurden vanuit de Groote Club Duitse mariniers plotseling mitrailleursalvo’s af op de hossende menigte. Twee salvo’s; een paar seconden: tweeëntwintig doden en honderden gewonden. Volgens de officiële geschiedschrijving (Je was er niet bij, uitgave van de stichting ‘Amsterdam dankt zijn Canadezen’ en de oud illegale pers, 1980) is het aan het kloeke optreden van majoor-commandant Overhoff van Gewest 10 van de BS te danken dat er niet nog meer slachtoffers zijn gevallen. In werkelijkheid was op het ogenblik dat de majoor arriveerde om met de Duitsers in de Groote Club te onderhandelen de zaak al geregeld. Dat was het werk van dr. H.A.L. Trampusch, thans lector in de embryologie in ruste, destijds commandant van de op dat ogenblik zo juist voltooide operatie ‘Three Castles’ (destijds een populair sigarettenmerk). Het was een door de BS zorgvuldig voorbereide actie om drie panden te veroveren: het paleis, het hoofdpostkantoor en het belendende geldkantoor. Het laatste gebouw herbergde de telefoonverbinding met Duitsland, een korte golfzender die voor de verbinding zorgde met de West en het voor de geallieerden zeer belangrijke knooppunt van alle internationale telefoonlijnen. Aan het geldkantoor werd in Duitse kringen zo veel belang gehecht dat een speciale afdeling van de SS het bewaakte.

Het echte verhaal van de Operation Three Castles en het einde der beschietingen vanuit de herensociëteit wordt hier voor het eerst verteld.

Bevreemd namen dr. Trampusch en zijn vrouw vorig jaar kennis van de plechtigheden waarmee Amsterdam zijn Canadezen’ dankte. De strekking der betogen karakteriseert hij als ‘ geklets’. Volgens hem hebben de organisatoren een paar oudere mensen uit het publiek ‘geplukt’ en hen de vraag voorgelegd: ‘Hoe was het?’ Geen woord over de operatie ‘Three Castles’, die het resultaat was van maandenlange minutieuze voorbereidingen en die aan honderden mensen het leven had kunnen kosten, als de zaak verraden was. Trampusch, in het verzet Jan Kees en objectscommandant van de actie, heeft op suggesties van vrienden om de zaak eens op schrift te stellen altijd geantwoord: *Wie het wil weten komt het maar vragen.’ Nu het hem wordt gevraagd, wil hij de actie die hij zich nog gedetailleerd herinnert wel uit de vergetelheid halen, maar het vraaggesprek moet omzichtig worden gevoerd. Hij is voortdurend bevreesd dat zijn persoon te veel in het middelpunt wordt geplaatst of dat hij als verzetsheld zal worden omschreven. Al te persoonlijke vragen worden afgedaan als niet ter zake doende. Toch is een summiere beschrijving van zijn levensloop tot aan 7 mei 1945 van belang. Voordat Trampusch, van geboorte Oostenrijker, in 1937 naar Nederland kwam, was hij al een geschoold verzetsman. Hij kwam uit een socialistisch milieu. Zijn vader herbergde Italianen die het fascisme in eigen land waren ontvlucht, onder wie de voormalige secretaresse van Mussolini: Angelica Barabanow. Hij werd in 1907 geboren en al jong lid van de Oostenrijkse socialistische jeugdbeweging. Hij kreeg een officiersopleiding voor de uit de Volkswehr voortgekomen Sozialistische Schutzbund (die tegenover de rechts-radicale Heimwehr stond). In het Oostenrijk van kanselier Schober, die in 1930 met het fascistische Italië een vriendschapsverdrag sloot, en onder het kabinet-Dolfuss (1932) en later Schuschnigg deed hij ruimschoots ervaring op met verzet en vervolging. Trampusch kwam naar Nederland met het plan hier een halfjaar te blijven. Het Amsterdamse gemeentebestuur had hem voor een gastdocentschap in de embryologie aan de universiteit gevraagd omdat hij na zijn promotie leerling was geweest van de laatste Duitse Nobelprijswinnaar, Hans Spemann. Toen Hitler Wenen binnenviel besloot hij hier te blijven: hij schreef zijn vrouw, die was achtergebleven om haar studie af te maken, dat ze moest overkomen. In Wenen was Trampusch een van de oprichters en bestuurslid van de Rode Valken, een organisatie die twintigduizend leden telde. In Nederland zocht hij direct contact met gelijkgezinden: de AJC. Hij bezocht de Paasheuvel en verbaasde zich over de naïviteit in dat milieu. ‘Idealistisch, ja, dat waren ze wel. Maar niet politiek bewust. Ze hebben geen ogenblik beseft dat op een paar kilometer afstand het nazidom bloeide. Dat was een andere wereld.’

Hij discussieerde met Koos Vorrink, ‘maar wat dat betreft was hij onbereikbaar.’ Toen Nederland werd bezet begon hij met ervoor te ijveren dat men geen Ariër verklaring zou afleggen; met weinig succes. “Men had niet de moed dat te weigeren.’ Wetende dat Hitler meende wat hij beloofde, probeerde hij naderhand zo veel mogelijk mensen ertoe te bewegen onder te duiken. Net als iedereen geloofde hij aanvankelijk in stempels en lijsten die joden voor deportatie moesten vrijwaren en via relaties diende hij bij de Duitsers lijsten in. ‘Achteraf weten we dat het dwaasheid was en dat de Duitsers van die lijsten met namen handig gebruik maakten. Dat besefte toen niemand. Die lijsten hebben de deportatie hoogstens uitgesteld.’ Bij de Kreisleiter van de NSDAP moest hij komen uitleggen waarom hij geen partijlid was en evenmin belangstelling had voor het lidmaatschap van de Kultuurkammer. *Ik heb hem voorgespiegeld dat het voor mij niet gunstig zou zijn mij met Duitse politiek te bemoeien als ik in Holland wilde blijven. Voor dat argument was hij wel vatbaar, maar opeens begon hij te schreeuwen: “U dankt het alleen maar aan de Führer dat u nog geen nekschot heeft van de Russen. ” Dat iemand voor Duitser kon doorgaan en daar niet blij mee was, hebben ze nooit begrepen.’ Wegens zijn nationaliteit moest Trampusch zich laten keuren voor het Duitse leger. Bij die gelegenheid maakte hij gebruik van de omstandigheid dat zijn vrouw niet Arisch was. Dat maakte hem ongeschikt om voor het Derde Rijk te strijden; die “Rassenschweinerei’, zoals de bevelvoerende officier zei, ‘kunnen we hier niet hebben.’ Aan de keuring hield Trampusch wel een Wehrpass over, die later in het verzetswerk een nuttig document bleek. ‘In mijn ene binnenzak had ik mijn Nederlandse papieren en in mijn ander mijn Reichsdeutsche. Als ik werd aangehouden snauwde ik ze af in hun eigen taal en haalde mijn Wehrpass te voorschijn.’ Toen de universiteit gesloten werd, besloot een groep jonge docenten illegaal onderwijs te geven. Ze trokken door het land en gaven colleges in schuren, op zolders en in kerken. ‘Ik doceerde niet alleen mijn eigen vak, ook anatomie.’ Op zijn tochten droeg Trampusch een koffertje met anatomische preparaten als een arm of een been. Hij is nooit aangehouden en het koffertje met de lugubere inhoud is ,nimmer doorzocht. Tezelfder tijd begon hij met een groep, voornamelijk studenten, joodse kinderen ‘weg te stoppen’. De kinderen uit de gezinnen die in de Hollandse Schouwburg hun deportatie afwachten, waren ondergebracht in een school aan de overkant. ‘Als ze de straat overstaken konden we er soms een meenemen. Ze werden niet altijd geteld.’ Veel van deze kinderen bracht hij tijdelijk bij zich thuis onder totdat er een veilig adres was gevonden. Telkens in onzekerheid of hij zelf nog wel door dezelfde deur weer naar buiten zou lopen, kwam hij bij Duitse instanties over de vloer om gearresteerde mensen vrij te pleiten. Zo zat hij eens bij Aus der Fünten om te pleiten voor een joodse jongen die op een kwekerij had gewerkt en die in het zonnetje even zijn jasje met ster had uitgetrokken. Een ijverige buurvrouw had het aangebracht. ‘Ik kreeg Aus der Fünten zo ver dat hij de telefoon greep en informeerde waar de joden zaten, maar hij was al doorgestuurd.’ Als medicus en met zijn Duitse Wehrpass mocht hij ook ‘s avonds na spertijd over straat. Toch was dat niet ongevaarlijk. De Duitsers hadden de onaangename gewoonte in het donker eerst iemand neer te schieten en dan pas naar papieren te vragen. ‘We hebben enorm gezwijnd,’ zegt hij, ‘de hele oorlog door.’ Ook zijn vrouw was actief in het verzet. Vrienden die zijn achtergrond kenden vroegen Trampusch of hij aan militaire acties wilde meedoen. Hij kreeg de leiding van een groep. Een illegale militaire opleiding is natuurlijk bijzonder gecompliceerd. We hebben wel geoefend in een sportschool. Wapeninstructie kwam voornamelijk neer op droogzwemmen. De instructeur kwam in de regel met een vioolkist waarin hij een stengun, houders en handgranaten vervoerde. Ik wist dat de Duitse bunkers op de ringdijk onbewaakt waren. Daarin kon je wel schieten. Maar we moesten zuinig zijn met munitie. Je moet één ding goed weten: als ik dat zo vertel klinkt het wel eens een beetje romantisch, maar daar is geen sprake van. Het is alleen maar beroerd. Je voelde van je zelf dat je aan alle kanten te kort schoot.’ Toen Gerrit van der Veen naar aanleiding van de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister was gefusilleerd, werd Trampusch gevraagd of hij de militaire leiding van PBC, de Persoonsbewijzencentrale, op zich wilde nemers. Hij vertelt: ‘Kort daarop is een militaire formatie tot stand gekomen die wij “Three Castles“ genoemd hebben. Deze formatie ‘had tot taak het paleis, het hoofdpostkantoor en wat destijds werd genoemd het geldkantoor, de kas  de belastingen, te behouden. De installaties in dat kantoor dienden niet alleen voor alle Duitse verbindingen ze waren ook het knooppunt van alle internationale telefoonverbindingen. Het was ons, de Binnenlandse Strijdkrachten. bekend dat de Duitsers in geval van een invasie de hele boel zouden opblazen. De daarvoor noodzakelijke springladingen lagen gereed.’ Het bataljon ‘Three Castles’ bestond uit de PBC, een groep studenten en een politiesectie van het bureau Warmoesstraat. In totaal ongeveer 286 man. De politiegroep zou het paleis voor haar rekening nemen. In het hoofdpostkantoor zat een grote groep die uit de RVV (Raad van Verzet) afkomstig was. Het operatieplan was dat alle groepen op hun verzameladres bijeen zouden komen om een verdere opdracht af te wachten. Het verzameladres van de PBC en de studenten was het toenmalige pakhuis van Van Gelder, Singel 236. Met het personeel van dat bedrijf had het verzet een goed contact. Van Gelder had bij voorbeeld opdracht van de Duitsers om een soort papier te maken dat gemakkelijk te herkennen was maar niet na te maken om te gebruiken bij het maken van Ausweise. Dank zij het personeel van Van Gelder, dat het verzet het benodigde papier leverde, konden de Ausweise op grote schaal worden nagemaakt. Het voormalige pakhuis van Van Gelder is een ouderwets gebouw waarin tussen de verdiepingen allerlei gangen en gangetjes lopen. Met behulp van het personeel hadden de BS daarin munitie verstopt: stenguns en geweren. Volgens het bevel dat Trampusch had gegeven kwamen de mensen van zijn commando op 6 mei in de loop van de middag in groepjes naar het pakhuis; tegen zessen moest iedereen binnen zijn. Personeelsleden van Van Gelder die sleutels hadden lieten de mensen aan de achterkant van het gebouw naar binnen. Wie binnenkwam werd naar zijn slaapgelegenheid geloodst. Wachten werden uitgezet bij ingangen en hoekramen. Trampusch: “De avondmaaltijd bestond uit kaakjes en kaas, en de kaakjes, die uit Engeland waren gedropt, waren van een zodanige consistentie dat we allemaal bloedende verhemeltes hadden.’ De volgende dag aten ze zuurkool die mevrouw Trampusch op een potkacheltje thuis in een wasketel had gekookt, met één zeer dun gesneden rookworst. Het overige personeel van Van Gelder dat de volgende dag toen het wapenstilstand was eens kwam kijken, was volkomen verbouwereerd. Ze vonden het een bende. Sommigen maakten kabaal omdat we onze koffiekopjes op de bureaus hadden gezet. Dat kon toch vlekken maken!’ Op mijn vraag of het niet opviel dat zulke grote groepen die gebouwen binnen- drongen zegt Trampusch dat de politie het paleis ongemerkt in en uit kon lo- pen en dat de andere gebouwen praktisch leeg waren. ‘We sliepen zo goed en zo kwaad als het ging op kasten, op bureaus en op bij elkaar geschoven stoelen. Dekens hadden we meegebracht. De organisatie van de BS bleek geimproviseer. Ik heb alles grotendeels op eigen houtje moeten doen. De BS-commandant, een beroepsmilitair met wie we telefoon- verbinding hadden, had de gekste ideeën. We zaten in het pikdonker. Telkens ging de telefoon; hij wilde ‘s nachts mededelingen dicteren die we aan de manschappen moesten overbrengen. Tegenover ons, in het geldkantoor, zat de SS. De ramen waren niet verduisterd. Ik kon geen mededelingen opnemen want ik kon geen licht maken. Ze hadden immers zo naar binnen gepaft. De algehele verwarring van de wapenstilstand leidde er de volgende ochtend toe dat bevelen niet meer doorkwamen. Daarom moest ik op eigen gezag het moment van de actie bepalen. Vóór de actie heb ik de mensen nog toegesproken. Het was een vrij grote zaal en daar zat het hele stel bijeen. Ik zei dat ik hoopte dat we na de actie weer zo bij elkaar zouden zitten, maar dat het nu menens was. Ik zei dat ieder die daar behoefte toe voelde nu mocht bidden en dat we ze de tijd en rust zouden gunnen om dat te doen. We hebben onze wapens gedistribueerd en wel zo dat achter telkens één gewapende één ongewapende liep die munitie droeg met als opdracht dat als er een gewapende zou sneuvelen degene die daarachter liep zijn wapen moest oprapen en gebruiken. Want we hadden veel te weinig wapens. Dat gaf grote discussies, want iedereen wilde wel een geweer hebben. De actie begon met een voortroep die verspreid langs de huizen liep en die zich gereed hield tot, het gevecht. Op enige afstand kwam de hoofdmacht die van tevoren vastgelegde punten moest bezetten. Anderen hebben het geldkantoor omsingeld zonder dat de SS, die het gebouw bewaakte, in actie kwam. Tot onze verbazing kwam de wachtcommandant ons tegemoet terwijl zijn manschappen aangetreden wachtten. Ik werd naar de bevelvoerende’ officier geleid om met hem de overdracht te regelen.’ Oorlog is vol ‘Brave soldaat Schwejk’ situaties. Trampusch: ‘Aan onze tongval merkten wij van elkaar dat we Oostenrijkers waren. Hij vroeg: “Wo kommen Sie denn her?” Hij bleek chef van het postagentschap in Krems aan de Donau en hij had maar één verlangen: zo snel mogelijk naar huis.’ Terwijl ze gemoedelijk stonden te overleggen hoe ze de overdracht zouden regelen, begon buiten het schieten uit de Groote Club. Met enige moeite lukte het Trampusch telefoonverbinding te krijgen met de Duitse  marine die vanuit de sociëteit in blinde angst vuurde op de bevolking die de bevrijding vierde. ‘Bij het hoekraam van de Groote Club zag je een mitrailleur staan. Ik kreeg de commandant van de mariniers aan de lijn. Die had een grote bek. “Ich räuche Sie aus!“ riep hij. Ik zei dat hij moest oppassen; het was wapenstilstand en hij liep de kans aan een lantaarnpaal te eindigen als hij voor een krijgsraad kwam. De afdeling in het paleis had van mij een bazooka meegekregen. Mijn adjudant in het paleis stuurde ik naar het dak en die vuurde daarvandaan de eerste granaat naar de Groote Club. Na de ontploffing werd, de commandant een beetje onzeker en vroeg of het niet op vreedzame wijze kon worden opgelost. Ik zei: “Als je niet onmiddellijk met schieten ophoudt komen er meer granaten.” En daar ging de tweede granaat. Die man was er gelukkig niet van op de hoogte dat de derde granaat niet functioneerde omdat de batterij op was. Het was pure bluf. Zo’n granaat geeft een enorme druk. De glasscherven vlogen door de lucht. Beneden was een glazen portiersloge en die knalde uit elkaar. Wat ik niet wist was dat daarbinnen hopen landmijnen en springstoffen lagen. Het was hun bedoeling de haven in zijn geheel op te blazen. Als een granaat zo’n landmijn had geraakt dan was het een massale hemelvaart geworden. Dan was de Groote Club in zijn geheel de lucht in gevlogen.

In elk geval is het schieten vanuit de Groote Club opgehouden. De Duitsers hadden hun mensen over de daken verspreid en mijn mensen zaten ook op de daken. Het werd een onzinnig over en weer gepaf. We hadden ongeveer twintigduizend schoten aan munitie, dus ik kon op een gegeven moment schatten dat het op zou raken. Maar vermoedelijk hadden de Duitsers dezelfde angst. De Duitsers vroegen om versterking. Er kwam een auto met Grüne Polizei. Die hadden we met een kogelregen ontvangen en ze gingen er zo snel mogelijk vandoor.’ Op het ogenblik dat de commandant van de BS per motor met zijspan ter plaatse arriveerde om te onderhandelen over het schieten was het laatste schot gelost. De Duitsers die uit de Groote Club kwamen lopen, werden gevangengenomen. Trampusch heeft ze eigenhandig naar de sociëteit teruggebracht. Daar moest de Duitse commandant een reçu tekenen voor zijn terugbezorgde mariniers. Hij tekende met zijn volle naam: Hauptmann Klahsen. Die handtekening is hem naderhand nog opgebroken. Om de een of andere reden wilde hij zich na de oorlog metterwoon in Nederland vestigen. Hij vroeg om een verblijfsvergunning. De BVD kwam bij Trampusch informeren of hij zich de naam van de commandant nog kon herinneren. Die opende zijn bureaulade en overhandigde het reçu. ‘Het bataljon Three Castles heeft ten koste van een paar’ gewonden.’ zegt Trampusch, ‘de drie gebouwen volkomen intact aan de Canadezen kunnen overdragen.’ Nog dagenlang hebben de studenten en de PBC op last van de BS in het gebouw van Van Gelder verbleven. ‘Wij hebben ons rotverveeld,’ vertelt Trampusch. Van tijd tot tijd gingen een paar man de straat op en kwamen terug met gevangenen. Sommigen lieten ze in de kelder op de grond knielen en hielden ze onder schot. Trampusch zei dat ze daarmee moesten ophouden. Op een gegeven moment kreeg hij genoeg van de situatie en hij besloot het misnoegen van de BS te riskeren. Hij riep iedereen bij. elkaar en hield een redevoerlng. ‘Ga naar huis,’ zei hij, “ ga studeren. Ga aan het werk. Het is nu afgelopen met soldaatje spelen.’ ”

Bron: artikel van Lisette Lewin, Vrij Nederland 28 Maart 1981, met dank aan Vrij Nederland die een fotokopie van dit artikel ter beschikking stelde.


 


Lisette Lewin werd in 1939 geboren in een joods gezin en overleefde de oorlog dankzij diverse onderduikadressen. Na de bevrijding vond ze van het gezin alleen haar vader terug. Vanaf 1968 werkte Lisette Lewin als journalist voor de Volkskrant, NRC Handelsblad en Vrij Nederland. In 1983 debuteerde ze als schrijfster met “Het clandestiene boek”, een non-fictie boek over illegale uitgevers in de Tweede Wereldoorlog. In 1989 volgde haar eerste roman, Voor bijna alles bang geweest, die een groot succes werd.

 

 

1 Reactie

  1. R.J. van der Wal

    Een verhaal van dapperheid, durf en blufpoker.
    Trots ben ik op mijn oude embryologie leermeester. Nooit heb ik dit geweten.
    Het lijkt ons dat dit een prachtig scenario voor een film zou kunnen zijn!

    Reageren

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *