Leo Vleeschhouwer

“De oorlog heeft me mijn jeugd afgenomen”

VleeschhouwerEnerzijds had Leo Vleeschhouwer (Amsterdam, 1923) een hoop geluk in de oorlog. Zijn Joodse vader heeft hij uit de handen van de Duitsers kunnen redden en zelf wist hij in mei 1945 aan de dood te ontsnappen. Anderzijds werd ook hij flink door de oorlog ge­raakt doordat veel van zijn familieleden in concentratie- en vernie­tigingskampen zijn omgekomen. Een groot aantal van zijn Joodse kennissen die alleen achterbleven, kunnen nog altijd niet over die tijd praten.

Zestien jaar was Vleeschhouwer toen de oorlog begon. Hij woonde in Amsterdam-Zuid en zag in 1940 de vliegtuigen overkomen die op weg waren om Schiphol te bombarderen. “Veel mensen gingen op het dak staan en zagen Duitse parachutisten landen”, vertelt Vleeschhouwer. “Wat ik me als eerste van de oorlog herinner, is hoe mijn vader op 10 mei 1940 met een ernstig gezicht tegen ons zei dat we een slechte tijd tegemoet zouden gaan.”
Hij herinnert zich dat de oorlog in het begin nog niet zoveel gevol­gen had die van invloed waren op het dagelijks leven. “Dat gold in het begin ook voor de Joden, maar dit veranderde snel. We maak­ten al in 1940 kennis met de eerste blijken van kleine vormen van verzet. Zo werden er grappen over Hitler gemaakt en beledigde men NSB’ers. Op 29 juni, de verjaardag van Prins Bernhard, werden er massaal witte anjers gedragen. Zo ontstond Anjerdag. Maar der­gelijke uitingen van vaderlandsliefde werden verboden of in ieder geval zoveel mogelijk ontmoedigd. Ook al hadden politieagenten zelf wel eens dubbele gevoelens wanneer zij dit teken van verzet de kop in moesten drukken. Het gebeurde wel eens dat mensen de anjers van je revers wilde trekken. Sommigen hadden daarom scheermesjes aan de anjers bevestigd. Alle uitingen waarin oranje werd genoemd waren indertijd verboden. Maar daar hadden we tot ergernis van de NSB’ers ook wat op gevonden. ‘Worteltje boven!’ riepen we dan bijvoorbeeld.”
Voor Leo Vleeschhouwer betekende de oorlog dat hem zijn jeugdja­ren werden ontnomen. Er was weinig vermaak. Van meer dan wat op zijn gitaar spelen kwam het niet. “Naarmate de oorlog langer duurde, werden de gevolgen steeds beter voelbaar in ons dagelijks leven. Radio’s en fietsen moesten worden ingeleverd en mijn vader kreeg ontslag omdat hij een Jood was. Hij werkte indertijd bij de Diamantbeurs op het Weesperplein in Amsterdam, het hart van de Amsterdams-joodse gemeenschap. In het enige café in Amster­dam waar Joden nog mochten komen, is mijn vader in het laatste jaar van de oorlog opgepakt bij een inval door de Nederlandse SS. Hij werd toen gedwongen zijn diamanten ring af te doen. Dat vond hij vreselijk. De reden dat veel Joden een grote belangstelling voor diamanten hebben, is volgens mij dat zij altijd iets achter de hand willen hebben om zich bij gevangenschap te kunnen vrijkopen. Die dreiging hing hen altijd boven het hoofd”, aldus Vleeschhouwer. Zijn vader kwam na deze inval terecht in de Joodse Schouwburg van waaruit vele Joden uit Amsterdam en omgeving zijn wegge­voerd naar Westerbork en van daaruit naar Duitse concentratie­kampen. “Toen ik hoorde dat mijn vader vrij zou komen wanneer we 200 gulden zouden betalen, ben ik dat geld gaan brengen. Toen hij vrij kwam, is hij meteen ondergedoken uit angst dat hij opnieuw opgepakt zou worden. Dat is gelukkig niet gebeurd maar het duurde tot na de bevrijding voor we hem weer zouden terug­zien. In de tussentijd leefden we in grote onzekerheid over hoe het met hem was en of hij niet alsnog in handen van de Duitsers was gekomen. Het laatste oorlogsjaar was zwaar. In het wes­ten van het land was er een tekort aan van alles en nog wat. “Ik heb suikerbieten en bloembollen gegeten en ik herinner me dat we ’s avonds geen licht hadden in huis en dat er een gebrek was aan veel dagelijkse levens­behoeften. Om tijdens de hongerwinter nog een beetje warm te blijven werd er van alles gestookt. Hele zolders werden leeggehaald, meubels en bomen moesten eraan geloven. Alles wat van hout was, verdween in de ka­chel en werd onder buren verdeeld. Zelfs de houten blokken tussen de tramrails.” Wat Vleeschhouwer het meest heeft aange­grepen, waren de openbare executies die hij in Amsterdam zag. “Op het Weteringplant­soen heb ik gezien hoe een aantal verzetsmen­sen werd gefusilleerd. Iedereen die passeerde werd gedwongen naar de executies te kijken. Afschuwelijk was het bovendien dat men de lijken ter afschrikking een poos liet liggen en er op een gegeven moment honden waren die het bloed oplikten. Pas na enige tijd werden de lijken op vrachtauto’s gegooid om afge­voerd te worden.” Groot was de euforie toen de bezetter na vijf lange jaren eindelijk capituleerde. Op de Dam in Amsterdam werd de bevrijding op 7 mei 1945 uitbundig gevierd. Duizenden mensen, onder wie ook Vleeschhouwer met zijn vriendin – die later zijn vrouw zou worden – waren erbij. De Canadese bevrijders wachtte een warm onthaal, totdat het die middag flink mis ging. Na een aantal eerste schoten achter het Paleis, ging het om 15.00 uur goed mis en opende Duitse militairen van de Kriegsmarine opeens het vuur. Nog altijd is niet duidelijk waarom dat gebeurde. Vleeschhouwer kreeg de indruk dat het was omdat ze werden uitgescholden, maar er gaan ook ge­luiden die beweren dat het was omdat leden van de Binnenlandse Strijdkrachten de militairen wilden ontwapenen. Iets wat feitelijk beter door de Canadezen had kunnen gebeuren. Anderen bewe­ren dat het dronken gefrustreerde Duitse militairen waren die met lede ogen moesten aanzien dat ze het veld moesten ruimen. Toen het verder escaleerde zocht iedereen een veilig heenkomen in de aangrenzende straten van de Dam. Op het plein was er immers geen enkele mogelijkheid om te schuilen. Een foto van de conster­natie die ontstond laat zien hoe enkele mensen achter elkaar ach­ter een lantaarnpaal dekking proberen te zoeken terwijl een kind enkele meters verderop rondloopt zonder dat iemand zich erom bekommert. Vleeschhouwer rende met zijn vriendin een kerk bin­nen. “De kogels vlogen ons letterlijk om de oren.” Er vielen die mid­dag 19 doden en meer dan 100 gewonden. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van dit dramatische bloedbad op de Dam is op de hoek met de Kalverstraat een gedenkplaat te vinden.

Nog in 1945 kwam Vleeschhouwer voor drie maanden bij de Hulp­politie terecht. “Er was een nijpend tekort aan personeel. Er wa­ren de nodige politiemensen gefusilleerd die in het verzet zaten en Joodse politiemensen waren er nauwelijks meer. Nadien heb ik gesolliciteerd bij de gemeentepolitie. Men vond mij wel wat mager. Ik woog destijds nog maar 56 kilo omdat we de laatste maanden van de oorlog nauwelijks te eten hadden.”
Vleeschhouwer is 38 jaar bij de politie gebleven en ging toen met functioneel leeftijdsontslag. In de periode dat hij bij de politie werkte, had hij veel met herdenkingen van doen. “Ik vind het be­langrijk dat die herdenkingen in ere worden gehouden. Zo erg als in 1940-1945 is het nooit meer geweest. Men moet op scholen over die tijd blijven vertellen. Deze periode mag niet in de vergetelijkheid raken.”
In zijn omgeving zijn er onder zijn Joodse kennissen velen die niet over de oorlog kunnen en willen praten, maar ook in zijn eigen familie heeft de oorlog de nodige sporen achtergelaten. Diverse neven en nichten en zijn grootmoeder heeft hij nooit meer terug­gezien omdat ze zijn omgekomen in één van de vernietigingskam­pen. Slechts één van zijn vier tantes en één van zijn drie ooms over­leefden de oorlog. “Mijn oom heeft er nadat hij uit het kamp kwam nooit over kunnen praten. Door al deze ervaringen ben ik me na de oorlog meer bewust geworden van het voorrecht om in vrijheid te mogen leven. Hierdoor heb ik veel begrip voor wat mensen elders in de wereld tijdens oorlogen meemaken. Laten we ervoor waken dat het hier nooit meer zover zal komen. Alleen daarom al moeten we blijven herdenken.”

 

Met permissie overgenomen uit het boek “Ereschuld” van Laurens van Aggelen.
Leo Vleeschhouwer is in 2012 in Hoofddorp overleden.

Views: 939

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *