Binnenlandse Strijdkrachten NIOD 249-0500A Verslag 44-45

Verslag en Bijlagen betreffende de leiding der Binnenlandse Strijdkrachten en van de daaraan voorafgegane coördinatie van het gewapend verzet in het bezet Nederland (Tijdperk Juni 1944-Mei 1945) door Lt. Kol. M. de Boer, chef Staf CBS

Alphabetische lijst van schuilnamen
Schuilnamen Persoonsnamen en functies
Van Amstel Mr. C.J.F. Caljé, officier bij A.H.K.-O.D., later bij Staf N.B.S.
Van Balen Prof.Mr. J.M. van Bemmelen, officier bij A.H.K.-O.D.
Bartels Van Velsen (Nationaal Comité)
Van Beek H.W.L. Fromein, officier bij Staf B.N.S.
Piet van den Berg Brune, Rayon Verbindingsofficier-Noord
Bertels
Van Breukelen Krikke, Gew C.- S.G. in gewest Utrecht
Van den Broek (zie Bob)
De Clerk Generaal-Majoor b.d. H. Koot C.B.S.
Cor C. Been, K.P.-leider te Utrecht
Dekker L. Neher (Nationaal Comité}
Van Dinkel Dr. E. Kits van Waveren, Hoofd Sectie III, Staf C.B.S. en A.H.K.-O.D.
Van Dijk A.P.M. van Riel, Registrator bij Staf C.B.S.
Richard van Dijk J. van der Gaag, lid Raad van de R.V.V. en lid Delta C.
Dijkstra (zie Dekker)
Frank J.A. van Bijnen, L.S.C.-K.P. en lid Delta C.
Freek G. Wagenaar, lid raad van de R.V.V. en lid Delta C.
Kees van Gelder G. Pruys, lid centraal Bestuur L.O.
Gerrit Hogewegen, officier bij Staf B.N.S.
Guus Res. 2e Lt. Hamilton, van Bureau B.C. te Londen
Gijs(brechtse) Jhr. O.A.E.E.E.L. Wittert van Hoogland, Adj. Chef van de Staf C.B.S.
Hans Res. 1e Lt. Biallotterski, van het Bureau B.O. (Bijz. Operatiën) te Londen, liaison-officier bij Staf C.B.S.
Van Heel Van Hemert, verzetsman te ’s-Gravenhage
Henk (R.V.V.) Van Doorn, lid Raad van de R.V.V.
Hiemstra B. Sanders, leider van de C.I.D. (Centr. Inl. Dienst)
Van der Hoeven zie de Clerk
Hogeveen Mr. G.J. de Lint, officier bij A.H.K.-O.D.
Van Houten Mr. Quint, Plaatselijk Cdt. Der B.S. te Utrecht
De Jager Generaal-Majoor der Genie J.Kok, Hoofd Sectie V, Staf C.B.S. en A.H.K.-O.D.
Jan (R.V.V.) J. Thijssen, C.-Operatiecentrum R.V.V. en C.-Afd. I R.V.V.
Jansen (I) Mr. B.A. van Schaik, Hoofd Bureau I 3 (Mil.Inl.) Staf C.B.S.
Jansen (II) Ir. F.K.T. Beukema toe Water, leider van de Inlichtingengroep Kees, later tevens Hoofd Bureau I 3 – Staf C.B.S.
Johannes (K.P.) Johannes Post, L.S.C.-K.P.
Karel Carels, Hoofd Sectie Telefoondienst Staf C.B.S. en A.H.K.-O.D.
Kees zie Jansen (II)
Jan Keizer J. Posthuma, medewerker voor telefoonverbinding van de C.I.D.
Koldewij zie de Jager
Leopold Prof. Dr. J.W. Dnijff, Rayon-Verbindingsofficier Noord-West, later tevens Landelijke Sabotage Commandant
Marcus Dr. M. Rutgers van der Loef
Marinus M.M. Couvee, lid Raad van de R.V.V. en werkzaam bij Sectie IV- Staf C.B.S.
Van Meel Mr. W.F. Schokking, officier bij Staf C.B.S.
Van Mook J. Luiten, werkzaam bij registratiebureau Staf C.B.S.
Peter-Noord P. Hordijk, L.S.C.-K.P. en lid Delta C.
Peter-Zuid J.J.F. Borghouts, Commandant S.G.
Reineveld R.H.F. van de Riviere, officier bij registratiebureau Staf C.B.S.
Rerink Dr. G.M.H. Veeneklaas, organisator wapendroppingen in Noord-Holland
Richard zie van Dijk (Richard)
Van Santen) Jhr. P.J. Six, Chef van de Staf, A.H.K.-O.D.
Schuilinga) lid Delta C en C. –Bewakingstroepen
Siem S. de Man, Gewest-Cdt.-S.G. in Utrecht
Simon Schuilinga, medewerker voor telefoonverbindingen van de C,I,D,
Scholberg Mr. J.H. de Tombes, Gew. C. der B.T, in Utrecht
Stuart Vermeulen
Tonny A.G. Kloots, leider bij de K.P.
Van Tuil W. van Hall, landelijk leider N.S.P.
De Veer zie de Jager
Visser) Luitenant-Kolonel van de Gen. Staf M. de Boer,
Vonk) Chef van de Staf van de C.B.S.

Bevel van de C.B.S. van 5 mei 1945, nr 4B
5 mei 1945, 23.30 uur.

Op grond van mededelingen van den B.N.S. breng ik het volgende ter kennis.
Ten aanzien van de capitulatie kan medegedeeld worden, dat de geallieerde troepen Maandag zullen oprukken ter bezetting van Westelijk Nederland.
Tussen de Geallieerden en de Duitsche Weermachtsbevelhebber is in groote lijnen het volgende overeengekomen:
1. Alle Duitsche troepen blijven ter plaatse, waar zij zijn en zullen alle acties staken. Na aankomst der geallieerde troepen marcheren de Duitsche troepen naar door de Geallieerden aan te wijzen plaatsen, alwaar zij worden ontwapend.
2. Aan alle Duitsche commandanten is het verboden documenten, wapenen, voertuigen, materieel, enz. te vernietigen. Iedere commandant is hiervoor persoonlijk verantwoordelijk.
3. De SS, de Duitsche Politie, S.D.-instanties, enz. Alsmede de Duitsche civiele autoriteiten zijn reeds thans ondergeschikt aan den Weermachtsbevelhebber.
4. De Duitsche civiele instanties mogen niets meer doen, waartoe onder meer behoort, dat zij geen contact met personen buiten hun dienstrayon opnemen.
5. De Duitsche troepen moeten zelf voor hun voeding zorgen, niets meer vorderen, niets meer wegnemen, gevorderde goederen zoveel mogelijk teruggeven.
6. S.D., SS, Grüne Polizei en Landwacht worden door de Duitsche Weermacht ontwapend.
7. Alle vernielingen worden gestaakt en vernielingsvoorbereidingen teniet gedaan.
8. Inundaties worden zooveel mogelijk ongedaan gemaakt.
9. Wegen voor doorgaand verkeer moeten vrij worden gemaakt.
10. Uitvoerige gegevens van mijnenvelden en booby-traps moeten worden verzameld. Tevens moeten booby-traps door hen verwijderd worden.
11. Alle politieke gevangenen zullen onverwijld worden vrijgelaten.

Het is noodzakelijk, dat de Binnenlandsche Strijdkrachten het nakomen van vorenstaande regeling zooveel mogelijk controleren en eventueel Duitsche Commandanten opmerkzaam maken op groote tekortkomingen. Belangrijke afwijkingen en tekortkomingen eventueel aan mij rapporteren.
Voor een goed verloop van vorenbedoelde werkzaamheden is het noodzakelijk, dat incidenten tusschen Binnenlandsche Strijdkrachten en den vijand worden vermeden. Als algemene regel geldt, dat de Binnenlandsche Strijdkrachten als gewapende formaties eerst in het openbaar verschijnen indien de geallieerde troepen aanwezig zijn. Indien door plaatselijke capitulatie van Duitsche troepen aan de Binnenlandsche Strijdkrachten dit tijdstip van in het openbaar verschijnen eerder valt, zal alles moeten worden gedaan om incidenten met eventueel aanrukkende troepen te vermijden.
Voorts deel ik u nog het volgende mede.
De Duitsche Weermachtsbevelhebber heeft de Binnenlandsche Strijdkrachten als geregelde strijdmacht erkend.
Hoewel de taak der Binnenlandsche Strijdkrachten voorshands zeer bescheiden is, wenschen de geallieerde troepen nog uitgebreid van hun krachten gebruik te maken.
Voor aanvullende bewapening der Binnenlandsche Strijdkrachten zullen de geallieerde troepen op uitgebreide schaal wapens ter beschikking stellen. In het bijzonder ook met het oog op de goede reputatie, die de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten zich bij de Geallieerden hebben verworven, is het noodzakelijk, dat, het gedrag en de daden der Binnenlandsche Strijdkrachten in de komende dagen door een goede discipline wordt gekenmerkt.


D.C.
Aan: C.S.G.
C.B.T.
G.Cn.S.G. 8 t/m 14
G.Cn.B.T. 8 t/m 14

Bevel van de C.B.S. van Mei 1945 nr 1B met Dagorder van de B.N.S.

6 Mei 1945
13.30 uur

Ik doe U hierbij een zoojuist door mij ontvangen dagorder toekomen van den Bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten Z.K.H. Prins Bernhard.
Ik verzoek u deze dagorder op de snelste wijze aan alle onder Uw bevelen gestelde troepen ter kennis te brengen.


D.C.

Aan: C.S.G.
C.B.T.
G.Cn.S.G. 8 t/m 14
G.Cn.B.T. 8 t/m 14

1 bijlage

(vervolg) -2-

Aan de Binnenlandsche Strijdkrachten in het zoojuist bevrijde Nederland.

Nu de strijd ten einde is, past het mij een ernstig woord tot U te richten.
Ernstig, omdat de groote bewondering en waardeering voor Uw werk dit vragen mag; ernstig ook, omdat het historisch oogenblik, dat voor het Vaderland is aangebroken, dit verlangt.
Het geallieerde opperbevel heeft vastgesteld de wijze, waarop de capitulatie der Duitsche troepen zal worden uitgevoerd. Het gevolg van het behalen van de eindoverwinning is, dat in het belang van de Nederlandsche bevolking alles in het werk moet worden gesteld om elk verlies aan mensenlevens verder te voorkomen,
Om deze reden is bepaald, dat de Geallieerde troepen eerst van Maandag 7 Mei a.s. af het bevrijde gebied zullen binnentrekken.
Het geallieerde opperbevel heeft mij daarom tevens verzocht U op te dragen, zich slechts ongewapend in het openbaar te vertonen, totdat dit binnentrekken zal zijn voltooid.
Dienaangaande volgt een nadere bekendmaking.
Ik besef levendig, dat dit voor U een grote teleurstelling is, welke trouwens gedeeld wordt door Uw geallieerde strijdmakkers, die ook liever eerder en strijdend waren binnengetrokken. De overtuiging echter, dat het land dan aan algehele vernietiging zou zijn prijsgegeven, moet ons allen, ondanks persoonlijke teleurstelling, tot groote dankbaarheid stemmen.
De Geallieerde bevelhebber en ik verwachten dan ook, dat gij thans in het bijzonder doordrongen van Uw verantwoordelijkheid, Uw plicht zult weten te doen.
Soldaten van de Binnenlandsche Strijdkrachten, U wacht nog een belangrijke taak.
Generaal Eisenhouwer heeft mij verzocht, juist vrijwilligers uit Uw midden op zoo kort mogelijke termijn aan de vorming van een aantal bataljons voor de bezetting van Duitsland te doen deelnemen. Het spreekt voorts vanzelf, dat daarnaast nog vele andere taken en opdrachten in binnen- en buitenland door U vervuld zullen kunnen worden.
In eerbied gedenk ik de helden, die in den ondergrondschen strijd gevallen zijn. Soldaten, Koningin en Vaderland rekenen ook thans er op, dat gij onder de gewijde omstandigheden met dezelfde geestdrift en discipline Uw taak zult weten te verstaan.

De Bevelhebber der Nederlandsche Strijdkrachten,
De Luitenant-Generaal,
w.g. Bernhard,
Prins der Nederlanden

Te velde, 6 mei 1945



Bevel van de C.B.S. van 6 mei 1945 nr. 2B

6 mei 1945
23.00 uur.
Doorgegeven 7-5-1945, 0.30 uur)

In aansluiting op bevelen nrs. 2B en 4B van 5 mei 1945 bepaal ik het volgende, onder aanteekening, dat voor zoover het hier zaken betreft, die zoowel voor B.T. als S.G. gelden, deze in onderling overleg tusschen de gewesten c.q. plaatselijke Commandanten worden geregeld:
1. Indien zich Duitsche militairen individueel aan de B.S. overgeven, moeten deze met het oog op de verpleging, enz. worden ingedeeld bij een Duits onderdeel, dat zich reeds heeft overgegeven.
2. Het verplaatsen van B.S. buiten gemeenten of districten, waar die onderdelen zijn gevormd, dient in het algemeen vermeden te worden (zie hierover ook onder 4).
3. Voorshands zal de burgerbevolking de plaats, waar zij zich bevindt, niet mogen verlaten. Evacué’s zullen ook niet naar hun woonplaats mogen terugkeren totdat de Duitsers uit Westelijk Nederland zijn afgevoerd en een goede regeling is gemaakt. De B.S. zullen met het toezicht worden belast. De wijze van uitvoering dient thans reeds door Plaatselijke Commandanten te worden voorbereid (in sommige gemeenten zal men in den geest van de opdracht handelen door zijn aandacht op een kom te richten, indien volkomen afsluiting niet doenlijk is). Het vorenstaande geldt uiteraard niet voor hen, die in het bezit zijn van een doorgangskaart als bedoeld in mijn nr. 1B van 1 mei 1945.
4. Het is de bedoeling, dat de B.S. een afsluitingscordon zullen vormen in de lijn IJsselmeer-Grebbelinie-de Spees-Ochten-Waal tot Heerewaarden-Maas. Genoemd cordon heeft o.m. tot doel om te beletten dat gezochte personen, zoals leden van de S.D. en anderen, naar Duitsland kunnen vluchten. Nadere bevelen hieromtrent zullen volgen. De G.Cn.8 en 11 zullen intussen de afsluiting elk voor zover het hun gewest aangaat, voorbereiden. Ik verwacht van hen, zo spoedig mogelijk:
a. schematische opstelling der voor de afsluiting benodigde troepen;
b. bericht of deze afdelingen uit het district, waar zij zullen optreden, betrokken kunnen worden. Is dat bepaald onmogelijk, dan dient de C.B.T. c.q. de C.S.G. daarover een voorstel betreffende overplaatsing van andere afdelingen alsook aangaande legering en verpleging te worden gedaan.
5. Indien individuele Duitsers of groepjes van Duitsers nog vernielingen verrichten of voornemens zijn zulks te doen, of terroriseren of trachten zulks te doen, zullen de B.S. zolang de Geallieerden nog niet ter plaatse zijn, zo mogelijk zelfstandig op de oude geheime wijze daartegen optreden.
6. Het vernietigen van Duitse archieven en van bewijsmateriaal over oorlogsmisdadigers dient waar mogelijk te worden voorkomen. In Zuid-Nederland is veel dergelijk materiaal voor ons verloren gegaan.
Ik vestig voorts Uwe aandacht op het volgende: het bewapenen van de B.S. is een punt van diepgaand overleg geweest met de Geallieerden. Daarbij is van geallieerde zijde bereidheid betoond de B.S. krachtig te bewapenen – krachtiger dan in andere landen – waartoe de goede discipline en strijdvaardigheid van de B.S. in bevrijd gebied veel heeft bijgedragen.
Evenwel is door de geallieerde legerleiding nadrukkelijk te kennen gegeven, indien het vertrouwen in hen gesteld, misplaatst mocht blijken op grond van misbruik der verstrekte wapens of van onregelmatigheden.
Het bovenstaande moge voor U en Uw onderhebbende Commandanten een aansporing te meer zijn Uwe aandacht voortdurend gericht te houden op het handhaven van een goede discipline bij de B.S.



D.C.
Aan: C.B.T. )
C.S.G. ) ter uitvoering
G.Cn.S.G. 8 t/m 14 )
G.Cn.S.G. 8 t/m 14 ) ter uitvoering
Vertrouwensmannen ) ter inl.

Bevel van de C.B.S. van 8 mei 1945 nr 1B met order van de B.N.S. van 7 mei 1945

8-5-1945
2. 45 uur

Hierbij breng ik U ter kennis een bevel van de B.N.S. van 7 mei 1945 met opdracht om in onderling overleg tussen S.G. en B.T. tot uitvoering over te gaan met dien verstande, dat bij de drie genoemde steden eveneens worden geacht te behoren, de aangrenzende voorsteden.

“In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag zal vanaf morgen (8 mei) 7 uur des ochtends op iedereen, die voorzien is van wapens en daarmede op straat verschijnt en op iedereen, die in een positie verkeert, dat hij met wapens kan schieten onmiddellijk door de Canadezen het vuur geopend worden; gezien het feit, dat heden verschillende Canadezen gesneuveld zijn doordat zij beschoten zijn, waarbij vastgesteld is, dat zij met stenguns beschoten zijn.
De C. van het 1e Canadeze Corps veronderstelt, dat zulks door Duitsers, of in Duitse opdracht geschied is, maar gezien het feit, dat Engelse wapenen gebezigd zijn, wenst hij de absolute zekerheid te hebben en te vermijden, dat de echte leden der Binnenlandse Strijdkrachten de dupe zouden worden van dergelijke incidenten en onder vuur zouden worden genomen van een misverstand. Derhalve wenst hij, dat in de drie hierboven genoemde grote steden zijn orders stipt opgevolgd worden. Dit slaat niet op wat buiten de grote steden valt”.



D.C.

Aan: C.B.T.
C.S.G.
G.Cn.S.G 10, 13 en 14
G.Cn.B.T. 10, 13 en 14

BEVEL.

Teneinde de order van het geallieerde opperbevel, dat de Binnenlandse Strijdkrachten geen wapenen zullen dragen, totdat de geallieerde troepen het bevrijde gebied zullen hebben bezet en tot het dragen van wapenen toestemming zullen hebben verleend, aan te passen aan de thans gerapporteerde omstandigheden, bepaal ik het volgende:
1. Voorshands zal alleen het Strijdend Gedeelte in het openbaar optreden, indien en wanneer het hiertoe van zijn rechtstreekse commandant opdracht ontvangt.
(Vermeden dient te worden, dat het Strijdend gedeelte, wanneer het met armbanden voorzien nog ongewapend in het openbaar verschijnt, door S.D. of andere desperate elementen onder vuur wordt genomen zonder zich te kunnen verdedigen. Het moment van optreden wordt dus aan de rechtstreekse Commandant overgelaten);
2. Het Niet-Strijdend Gedeelte mag als dusdanig niet in het openbaar verschijnen, d.w.z. leden der Binnenlandse Strijdkrachten, die tot het Niet-Strijdend Gedeelte behoren, mogen tot nader order, welke van dit Hoofdkwartier via de C.B.S. zal uitgaan, niet met armbanden of andere onderscheidingstekenen van welke aard dan ook op straat verschijnen of zich ter beschikking der geallieerden stellen;
3. In de phase, genoemd onder 2 draag ik de commandant van het Niet Strijdend Gedeelte op alle voorbereidingen te voltooien, teneinde, wanneer het bevel hiertoe gegeven zal worden, het Niet Strijdend Gedeelte ter beschikking te kunnen stellen van de geallieerde bevelhebbers of het Militair Gezag. Het is dringend vereist, dat het Niet-Strijdend Gedeelte alleen bestaat uit uitgezochte, volledig betrouwbare mensen, die al minstens voor 30 November 1944 tot dit Niet-Strijdend Gedeelte behoorden. Er zal met de uiterste stiptheid door de verbindingsofficieren van deze Staf nagegaan worden, of deze maatregel overal streng wordt uitgevoerd;
4. Het aantal troepen, dat nadien van ons toestemming zal verkrijgen, om in het openbaar te verschijnen en door de geallieerden en het Militair Gezag gebruikt te worden, is afhankelijk van en wordt beperkt door de plaatselijke omstandigheden.

BEVELHEBBER NEDERLANDSE STRIJDKRACHTEN
De Luitenant-Generaal

w.g. Bernhard
Prins der Nederlanden.
7-5-1945
Te Velde
Bevel van de C.B.S. van 8 mei 1945, nr. 2B



8-5-1945

Hierbij breng ik U een heden door mij ontvangen bevel van den B.N.S. ter kennis. U dient inzake de uitvoering van dit bevel in overleg te treden met de plaatselijke C. van de Canadese troepen.
1. De C. van het Canadese Corps heeft aan al zijn onder-Commandanten het bevel gegeven, dat vanaf vanavond (8-5) plus minus 20.00 een ieder met of zonder oranje armband onbevoegd is wapenen te dragen voor het gebied ten Westen van Grebbelinie.
2. Die leden der B.S., welke tot het dragen van wapenen gemachtigd zullen worden, ontvangen nieuwe armbanden. Niet gewapende leden der B.S. blijven de oude oranje armband dragen.
3. Deze nieuwe armbanden zullen door de geallieerde Commandanten worden uitgereikt aan de plaatselijke Commandanten N.B.S. in iedere plaats. De geallieerde Commandant bepaalt hoeveel leden der B.S. ter plaatse zullen worden gemachtigd wapenen te dragen en welke taken zullen worden verricht.
4. Het aantal armbanden is beperkt. Plaatselijke Commandanten der B.S. zijn verantwoordelijk, dat deze banden uitsluitend worden uitgereikt aan diegenen, waarvoor deze Commandanten kunnen instaan.
5. De toestand zal slechts zolang duren, totdat de Corps Commandant overtuigd is, dat ongewenste elementen zijn ontwapend.
6. Het einde van deze toestand zal door de Corps Commandant aan de B.S. worden bekend gemaakt.
7. Leden der B.S., die zonder de nieuwe armband door de geallieerde Commandant worden aangetroffen zullen worden ontwapend door deze. Indien de man zelf van zijn wapen gebruik maakt zal worden geschoten.



D.C.
Aan: C.B.T. en C.S.G.

Proclamatie Nr. 2 van C.-1 Can.L.K.
PROCLAMATIE NUMMER 2 AAN DE BURGERS VAN DE PROVINCIEN UTRECHT, NOORD- EN ZUID-HOLLAND door LUITENANT-GENERAAL CHARLES FOULKES, CBE, DSO opperbevelhebber van het 1e Canadese Corps.

Het dragen en afvuren van vuurwapens

1. Verscheidene gevallen zijn voorgekomen, waarbij Nederlandse of Geallieerde soldaten hun leven verloren in schermutselingen tussen zekere leden van verzetsgroepen en zekere Duitse eenheden, die nog niet ontwapend waren.
2. Om verdere ongelukken en nutteloos bloedvergieten te voorkomen beveel ik dat alle personen die niet gerechtigd zijn tot het voeren van vuurwapenen, deze aan het dichtstbijzijnde hoofdkwartier van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, of aan het plaatselijk politie bureau, of aan de naaste militaire post inleveren.
3. Alleen de volgende personen zijn gemachtigd wapens te dragen:
I. Leden van de legers der Geallieerde Mogendheden in uniform.
II. Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten die door mij of mijn vertegenwoordigers geautoriseerd zijn en die van Britse armbanden zoals beschreven in paragraaf 5 voorzien zijn.
4. Alle ongeautoriseerde personen die vuurwapens dragen of afvuren in de provincien UTRECHT, NOORD en ZUID HOLLAND, worden aan arrestatie en zware straffen blootgesteld.
5. De Britse armbanden die gedragen zullen worden door het personeel van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten voor zover gemachtigd om met de Britse troepen in Westelijk Nederland samen te werken, zijn de volgende:
I. Militaire Politie- Een zwarte band met rode letters “MP”
II. Regiments Politie- Een zwarte band met rode letters “RP”
III. Personeel van de Algemene Dienst- Een blauw-witte band, of een donker blauwe band met de letters “CD” in geel.
6. Geen andere banden van welke beschrijving ook worden erkend als authorisatie om wapens te dragen in het gebied onder zijn gezag.
CHARLES FAULKES
Luitenant-Generaal
Opperbevelhebber 1e Canadese Corps
12 mei 1945.

Het was de C.B.S. verder bekend, dat van Santen als Chef Staf A H.K.-O.D. met betrekking tot diverse vraagstukken voor de periode na de bevrijding instruerende voorlichting gaf aan de Gew.Cn. Verzetstroepen (het voorlopig nog niet strijdend gedeelte). De C.B.S. zelf heeft zich, voor zover mij bekend, weinig met deze aangelegenheid ingelaten.
In het voorjaar van 1945 werden uit het Zuiden diverse regelingen van het Militair Gezag ter informatie aan de C.B.S. gezonden. Daarbij bleek aan van Santen, dat in deze regelingen aan de B.T. een veel beperkter taak was opgelegd dan aanvankelijk door de Nederlandse Regering voor de O.D. was bestemd. De moeilijkheden, die hier voor van Santen uit voortsproten, vooral met het oog op de tevoren door hem geinstrueerde O.D.-gewesten, kunnen het best door hem zelf worden behandeld. Aangezien het mij bekend is, dat van Santen eveneens een uitvoerig rapport heeft opgemaakt, zal deze, voor de O.D. wel buitengewoon teleurstellende aangelegenheid hier niet verder worden besproken.

VII. DE PERIODE VAN EIND MAART 1945 TOT NA DE BEVRIJDING

Het was de C.B.S. bekend, dat verschillende malen klachten uit bezet gebied tot de N.B.S. werden gericht. Van wie die klachten kwamen wist hij niet en evenmin om welke reële feiten het ging. Wel was er bij Delta C. eens een uitval van Peter-Noord geweest, dat er te weinig sabotage werd verricht, welke uitval kennelijk was geinspireerd door ontevredenheid uit lagere regionen. Zijn bezwaren waren echter zo eenvoudig te ontzenuwen en terug te brengen tot onvoldoende activiteit in de gelederen der niet genoemde mopperaars (de bevelen van de C.B.S. waren in dit opzicht overduidelijk en lieten een zeer grote mate van vrijheid van handelen onder-Cn.), dat er van zijn bezwaren niets overbleef. Persoonlijk simuleerde de C.B.S. zoveel mogelijk het verrichten van sabotage, zoals bv. in Gewest 1, waar na een onderhoud van de C.B.S. met de G.C. een aanmerkelijke activering van de sabotage te constateren viel.
In een telegram van de B.N.S., gedateerd 12 februari 1945 (zie bijlage 30) werd aan de C.B.S. opgedragen door alle verzetsgroepen zo weinig mogelijk werkelijke persoonsnamen te doen bezigen; voorts de O.D. nogmaals op te dragen de “security” te behartigen en schriftelijke orders tot een minimum te beperken, ook bij koerierszendingen. Voorts werd medegedeeld, dat de B.N.S. veel klachten over de papierwinkel had ontvangen.
Hoewel deze order van de B.N.S. aan de Onder-Cn. Van de C.B.S. werd doorgegeven, was dit feitelijk overbodig. Het was duidelijk, dat dit telegram gegrond moet zijn op mededelingen, die, buiten de C.B.S. om, de Staf van de B.N.S. hadden bereikt. Alle zaken, die in het telegram naar voren waren gebracht, worden in de bevelstechniek en correspondentie van Staf-C.B.S. en Onder-Cn. Wederzijds steeds met de uiterste zorg behartigd. Wanneer de genoemde feiten inderdaad waren voorgekomen, had de C.B.S. dit in de eerste plaats zelf moeten bemerken. Het telegram bezorgde bij de Staf-C.B.S. en Delta-C. het gevoel, dat er achterbaks werd geageerd.
Terwijl de zaken bij de B.S. in het algemeen een bevredigend verloop hadden, zoals in het vorige hoofdstuk is geschetst, kwam op een der laatste dagen van Maart Peter-Zuid figuurlijk en letterlijk uit de lucht vallen en vervoegde zich op de eerstvolgende Delta-C.-bijeenkomst (23 Maart) bij de C.B.S. Hij deelde op autoritaire wijze mede, dat hij door de B.N.S. naar bezet gebied was uitgezonden, met de opdracht het bevel op zich te nemen van het S.G. voor geheel bezet gebied. Als zodanig zou hij wel onder commando van de C.B.S. staan, doch hij was gemachtigd zelfstandig bevelen te geven, onder-Cn. te ontslaan en te kiezen en over alle zaken eigen radioverbindingen met de B.N.S. te onderhouden. In telegrammen, die de C.B.S. ongeveer terzelfder tijd van de B.N.S. ontving, werden deze mededelingen bevestigd. Verder bleek, dat niet alleen het S.G., maar ook de B.T. voortaan een afzonderlijke landelijke commandant moesten hebben. In elk gewest moesten verder naast elkaar aanwezig zijn en Gew.C.-S.G. en een Gew.C.-B.T., die resp. het gewestelijk S.G. en de gewestelijke B.T., commandeerden. Combinatie van deze functies zou niet meer mogelijk zijn.
De C.B.S. was pijnlijk verrast door deze behandeling, zo ook van Santen en ik zelf. De gevoelens van Freek en Peter Noord kon ik minder goed peilen. Freek was stellig evenzeer in hoge mate verwonderd. Na de bevrijding is gebleken, dat in de Staf van de B.N.S. de missie van Peter Zuid aanvankelijk ook voor van Amstel en Gerrit verzwegen was en hun als een “feit accompli” was medegedeeld. Eerst veel later zijn zij op de hoogte gesteld van de juiste aard van zijn missie tegenover de C.B.S. Het behoeft geen betoog, dat de komst van Peter Zuid een slag in het gezicht van de C.B.S. was, onder wiens leiding in maandenlange arbeid onder uiterst moeilijke omstandigheden van een conglomeraat van verzetsgroepen, varierend van horden tot ordentelijke groepen, één B.S.-organisatie was gesmeed, die daarin scheuringen had weten te voorkomen en zich van een uitzonderlijke goodwill van al zijn ondercommandanten en van de Delta-C,-leden had weten te verzekeren. Niettemin was het duidelijk dat zijn beleid werd gediskwalificeerd en dat zijn taak grotendeels zou worden overgenomen door een vreemde, die niet was opgegroeid in de benarde omstandigheden van na September 1944.
Zondagmorgen 25 Maart deelde de C.B.S. mij mede, dat hij zich niet uit de B.S. zou terugtrekken, doch zijn functie zou blijven vervullen, aangezien hij zulks –ook al met het oog op het zeer ver gevorderde tijdstip- in het belang van de B.S. en van het vaderland gewenst achtte. Zijn persoonlijke gevoelens schakelde hij daarbij geheel uit. Ik moest de juistheid van deze redenering erkennen, doch besefte, dat deze beslissing een grote zelfopoffering voor de heer de Clerk betekende. In de Staf C.B.S. werd het besluit van de heer de Clerk met grote instemming ontvangen. Het was toeval – doch wel een merkwaardige samenloop van omstandigheden- dat, aansluitend op het hiervoor vermelde gesprek, door de B.B.C. de eerste grote successen van de Britse Rijnovergang werden afgekondigd. Een groot offensief, zo dicht bij de grenzen van ons land ontketend, kon Nederland niet onberoerd laten. Vanaf dit moment zou operatief gesproken in Nederland van alles te verwachten zijn. Dezelfde morgen werd reeds telegrafisch opdracht ontvangen voor de volgende acties:
– Voor alle zones: sabotage van draadverbindingen, met inbegrip van centrales en versterkingsstations (zie B, blz 31) en bescherming van technisch telefoonpersoneel (F ten dele);
– Voor zone II: (Overijssel en Achterhoek) bovendien de gecombineerde sabotage van spoorwegen en verkeerswegen (zie A, blz 31) en de bescherming van belangrijk technisch personeel (F compleet).
In aansluiting op het doorgeven van deze orders werd aan alle telefonisch bereikbare gewesten (8 tot en met 14) opgedragen de gewestelijke commandoposten permanent te doen bezetten.
De bevrijdingsstrijd, waar de B.S. vele donkere wintermaanden op had zitten wachten, was aangebroken. Des te meer werd op dit moment het aanblijven van de heer de Clerk gewaardeerd.
Omtrent het verloop van de bevrijdingsstrijd bij de B.S. in de Oostelijke en Noordelijke provinciën en vervolgens op de Veluwe werden op de Staf C.B.S. geen berichten ontvangen. Geleidelijk raakte het contact met de er bij betrokken gewesten verloren. Via C.I.D. bleef telefonisch contact met Leeuwarden bestaan tot de geallieerden in de omgeving van Zwolle waren. In plaats van de verloren gerakte verbindingen werd spoedig na de bevrijding van Doetinchem een telefonische verbinding met deze plaats verkregen, eveneens via C.I.D. Een stroom van berichten en militaire inlichtingen werd langs deze weg gespuid. Na de bevrijding van Apeldoorn werd het eindpunt van de telefoonlijn naar deze stad verplaatst, waar kort daarop de Staf van de B.N.S. werd gevestigd. Toen de Canadezen de Grebbelinie hadden bereikt, veranderde het normaal gebruikte eindpunt van deze lijn in Ermelo, ofschoon Apeldoorn bleef bestaan. Tevens kon toen via de Telefoon Sectie-Staf C.B.S. van Amsterdam uit met Ede worden getelefoneerd. Daar werd echter geen telefoonpost van de Staf B.N.S. gevestigd. Bovendien was de lijn dagelijks slechts gedurende beperkte tijd te gebruiken, omdat te Utrecht en Doorn doorverbinding moest worden gegeven, hetgeen niet altijd mogelijk was. Van deze lijn is slechts zelden gebruik gemaakt. Daar omtrent het verloop van de strijd in de genoemde gebieden geen bijzonderheden bekend raakten, is bij de Staf C.B.S. ook onbekend gebleven in hoeverre de door de C.B.S. gegeven bevelen zijn uitgevoerd en welke resultaten zij hebben opgeleverd.
Terwijl de strijd in het Oosten van het land een aanvang had genomen, werd in het Westen de B.S. gereorganiseerd overeenkomstig de van de N.B.S. ontvangen bevelen. De C.B.S. benoemde van Santen tot Commandant de B.T., waarmede deze zich –zeer tot zijn spijt, doch zich ook voegende in de nieuwe situatie- teruggedrongen voelde tot dat gedeelte van de taak der B.S., hetwelk na de bevrijding zou komen. Aan die Gew. Cn., die tot nu toe zowel het S.G. als de B.T. hadden gecommandeerd, liet de C.B.S. de keus of zij zich met het commando over het S.G., dan wel met dat van de B.T. wilden belasten. Dit betrof een aantal Gew. Cn, die van de O.D. afkomstig waren, nl. in de gewesten 9, 11, 12 en 13. Allen kozen het S,G., doch Peter Zuid doorkruiste deze gang van zaken door te verklaren, dat hij de G.Cn. van 9, 12 en 13 niet als G.C.-S.G. wenste te aanvaarden. Daarentegen had hij geen bezwaar, dat de G.C. in gewest 11 (in strijd met de nieuwe regeling van de B.N.S.) zowel het S.G. als de B.T. bleef commanderen –daarmee blijk gevende, dat zijn actie gericht was tegen bepaalde functionarissen, die hem weliswaar persoonlijk en in hun werk onbekend waren (hij had hen ten hoogste een keer gesproken), doch die blijkbaar niet gelust werden door zijn adviseurs achter de schermen. Verwarring en herrie in deze gewesten was het gevolg. Voor gewest 12 had Peter Zuid een “uitnemende” candidaat, Bertels genaamd. Toen deze op 28 Maart was aangesteld, ontstond een soort tumult in het gewest en de C.B.S. trok de benoeming op 8 April in. Wie toen G.C.-S.G. in dit gewest is geworden, weet ik niet meer, doch ik geloof dat er geen nieuwe benoeming meer is geweest. In gewest 9 protesteerde de G.C. ten felste tegen het hem mondeling aangezegde ontslag als G.C.-S.G. En toen bleek, dat de hele gewestelijke staf pal achter de G.C. stond, drong de C.B.S. Peter Zuid terug en handhaafde de G.C. als G.C.-S.G. In gewest 13 trok de G.C. zich geheel terug. Hier werd Peter-Noord tot Gew.C.-S.G. benoemd; deze kon daar echter ook niet veel beginnen en zeker niet in de korte tijd, die nog restte.
Ook uit gewest 1 kwam een kreet. Hier waren in de voorafgegane maanden K.P., O.D. en R.V.V. volledig tot B.S. samengesmolten en stevig in handen van de G.C., zowel S.G. als B.T. Toen deze de brief over de splitsing van de B.S. in S.G. en B.T. ontving, begreep hij er niets van, dacht aan vijandelijke falsificatie, vertrouwde de zaak niet, schreef dit aan de C.B.S. en verklaarde resoluut, dat hij er niet aan dacht in het aangezicht van de strijd thans nog te gaan reorganiseren. Dit was meteen het laatste bericht, dat van hem ontvangen werd, want inderdaad stonden de geallieerde tropen bij Friesland voor de deur.
Speciaal voor de genoemde gewesten in het Westen van ons land was deze tijd een periode van verwarring, als gevolg van het optreden van Peter Zuid. Hiermede was ook voor hem bewezen, dat afbreken makkelijker gaat dan opbouwen.
De houding van de C.B.S. in deze weken (eind Maart en begin April) moet gezien worden in het licht van het onder alle omstandigheden willen handhaven van de eensgezindheid bij de B.S., waarbij de heer de Clerk niet alleen zich zelf volledig uitschakelde, doch hoopte dat anderen dit voorbeeld zouden volgen. Hij had niet alleen de functie van “leider” der B.S. aanvaard, doch ook –als dat voor de gewenste gang van zaken noodzakelijk werd geacht – die van “lijder” der B.S. De hoogheid van zijn opvattingen waren voor een Peter Zuid ongenaakbaar. Van dit standpunt gezien deerde ook de hinderlijke stijl van orders van de Commandant-S.G., zoals opgenomen in de bijlagen 31 en 32 hem niet. In de eerste van de bedoelde orders werd het geallieerde bevel tot sabotage van de telefoonverbindingen door de C.-S.G. aan een nadere beschouwing uit de B.S. standpunt onderworpen, terwijl de opvolging van het bevel afhankelijk werd gesteld van het uiteindelijke oordeel van diverse Gew. Sabotage-commandanten, die als zodanig eerst drie dagen later door hem werden aangesteld, terwijl ze er sinds November 1944 al waren.
In de order (bijlage 32) werd een nieuwe reorganisatie bevolen, waardoor steeds meer stuurlieden aan het roer zouden komen. In ieder gewest moest een nieuwe Gew.Sabotage-C. komen, die voorshands onder bevel stond van een Landelijke Sabotage C. (in de periode vóór de bevrijdingsstrijd) en daarna onder de G.C.S.G.
Zonder in te gaan op het eventuele nut van deze complicatie of de verhouding tot de reeds sinds einde November 1944 bestande gewestelijke en plaatselijke sabotageploegen, zij opgemerkt, dat de laatste order in strijd was met een afspraak, die C.S.G. een paar dagen tevoren met de C.B.S. had gemaakt. De C.B.S. liet deze zaak echter op zijn beloop. Het werd iedere dag duidelijker, dat de oorlog afliep.
Aanvangende 7 April raakte de leiding der B.S. in draf, spoedig en galop over een heel ander onderwerp, nl. de capitulatie-onderhandelingen geeft het Memorandum van Vertrouwensmannen, opgemaakt in overleg met de C.B.S. 1)
1) Het merkwaardige is, dat dit verslag niet in overleg met de C.B.S. is opgesteld, ook al staat dit er op gedrukt. De C.B.S. wist daar niets van.
van Maart 1946 een uitvoerig en volledig relaas, zodat hier volstaan zal worden met naar dat verslag te verwijzen. Enkele opmerkingen kunnen worden toegevoegd.
Hoewel de onderhandelingen onder de diepste geheimhoudingen werden gevoerd, bleek medio April reeds een ruime kring der illegaliteit er van vernomen te hebben.
Dit kwam o.a. tot uiting in de wekelijkse bijeenkomsten van de Griffie, alwaar van diverse kanten vurige kolen werden gestapeld op mijn hoofd (als de vertegenwoordiger van de CBS). Speciaal bij monde van Bartels werd het verwijt gedaan, dat het voeren van onderhandelingen in strijd was met de unanieme wens der illegaliteit (burgerlijke verzetsgroepen). Men wenste, dat de BS hun bijdrage zouden leveren om de gehate vijand er uit te smijten en onderhandelen was minderwaardig. Bij de eerste bijeenkomst antwoordde ik, dat ik geen enkele reden had om over het al of niet bestaan van onderhandelingen enige mededelingen te doen. Onvoldaan ging de vergadering uiteen onder opmerking, dat mijnerzijds de volgende week een verklaring werd verwacht. Toen ik de CBS verslag uitbracht, was de lakonieke opmerking van de heer de Clerk; “moeten wij vechten om het vechten zelf of voor het bereiken van een doel?”. De CBS was het met mij eens, dat het hier een kwestie van militair beleid was, waar de burgerlijke verzetsgroepen buiten moesten blijven.
De volgende week werden bij de aanvang der vergadering reeds zoveel juiste details opgesomd, dat het voor mij geen zin had het bestaan der onderhandelingen dood te zwijgen. Toen mij om de geeiste verklaring werd gevraagd, deel ik mede, dat, hoezeer ik de belangstelling voor dit onderwerp kon begrijpen, ik uit hoofde van ambtsgeheim geen enkele mededeling zou doen en dat de burgerlijke verzetsgroepen moesten vertrouwen op het beleid van de CBS en Vertrouwensmannen, die deze zaak ongetwijfeld op de juiste wijze zouden oplossen, daarbij rekening houdende met alle factoren. Toen ik in dit verband nog wees op de mogelijkheid van vernietiging van het westen des lands door inundaties en vernielingen, riep Bartels uit, dat hij liever in de strijd ten onder ging dan de schande van de onderhandelingen te beleven. Bij gebrek aan ander middel moest de vergadering er zich toe bepalen mij haar onvoldaanheid over de gang van zaken en over mijn antwoord, aan de CBS te laten overbrengen.
Bij de daarop volgende vergadering, die een der eerste Meidagen plaats vond, nadat de levensmiddelendroppingen reeds waren aangevangen, bleken een paar leden voldaan te zijn over de onderhandelingen, voor zover die op de levensmiddelenvoorziening betrekking hadden gehad. De storm was iets geluwd. Dit was meteen de laatste vergadering der Griffie, die door mij is bijgewoond en –voor zover mij bekend- die gehouden is.
Gedurende de laatste weken voor de bevrijding ging het bedrijf der BS ter voorbereiding van de bevrijdingsstrijd door. Omstreeks 25 of 26 April moest op last van Gen. Eisenhouwer het actief optreden tegen de vijand worden stopgezet, zulks ter bevordering van het slagen der onderhandelingen.
Door SHAE was de toezegging gedaan, dat het 1e Canadese Leger voor de Grebbelinie zou blijven liggen. Van Duitse zijde werd geleidelijk de druk geringer. Met het oog op de uitvoerige telegramwisseling, welke in het raam der onderhandelingen nodig was, werd eind April de radio-opsporingsdienst van de SD door de Duitsers stopgezet, waardoor voortaan de radioberichtenwisseling der BS ongestoord op volle toeren kon werken. De CID-telefoonverbinding met Ermelo werkte eveneens op volle kracht.

Een der laatste dagen voor de bevrijding werden op initiatief van de GCSG-10e Gewest (Amsterdam) nog ingesteld de z.g. gewestelijke recherche-apparaten. Deze waren bestemd voor het opsporen van SD’ers met aanhang, van wie in het bijzonder kon worden verwacht, dat zij zich zouden trachten te verbergen. In Amsterdam werd door de GC Hiemstra hiermede belast.
Spoedig bleek, dat Hiemstra ook in andere grote steden het CID apparaat hiervoor ingeschakeld trachtte te krijgen onder opper toezicht van hemzelf. Hiervoor stak de CBS een stokje door te onderstrepen, dat deze aangelegenheid uitsluitend tot de competentie van de G.Cn. BT behoorde. Enige overeenkomst tussen deze geste van Hiemstra en zijn gedrag veel later bij het BNV, valt niet te ontkennen.
Vrijdag 4 mei, 20.30 uur bracht de Franse uitzending van de BBC het belangrijke nieuws van de Duitse capitulatie en de staking der vijandelijkheden. Het bericht kwam per slot toch nog onverwachts. In dit opzicht verdient vermelding, dat de BNS, die omstreeks 20.00 uur van die dag geruime tijd met een der officieren van de Staf telefoneerde niets had laten weten en mededeelde, dat hij de capitulatie thans wel met een paar dagen verwachtte. Om21.00 uur werd het bericht in de Engelse uitzending van de BBC herhaald. En daarop zag men in Amsterdam allerwege groepjes mensen op straat komen (20.00 uur was spertijd). Speciaal onder de jongeren was spoedig veel lawaai, met gevolg, dat de Duitsers het publiek subiet van de straat schoten. Toch bleef het de hele avond onrustig. Zo ook op de Staf van de CBS. De bevestiging van het capitulatiebericht werd spoedig telefonisch uit Ermelo ontvangen, met de mededeling, dat er nog geen nadere orders voor de volgende dagen waren en dat deze ook niet meer door ons konden worden verwacht. Van de zijde van de Staf CBS kon die avond geen dienstcontact meer met de Canadezen worden verkregen, wegens grote Canadese festijnen. Eerst in de loop van de nacht werd bericht ontvangen, dat de Canadese troepen de volgende dag nog niet zouden oprukken, dat de orde voorshands door de Duitsers zou moeten worden gehandhaafd en dientengevolge de BS tot nader order nog niet in het openbaar mocht verschijnen. Dit was voor de overal popelende BS een grote teleurstelling, doch ter voorkoming van incidenten en bloedvergieten een wijze maatregel.
Temeer omdat de Duitse troepencommandanten op zeer verschillende manieren reageerden. Sommigen dreigden iedere BS’er, die zich zou vertonen neer te schieten en gaven desbetreffende orders uit. Anderen consigneerden hun troepen in kazernes en grote gebouwen, droegen de ordehandhaving aan de politie over en gaven hun troepen bevel niet anders te schieten dan in geval van een aanval op de Duitse kwartieren. In enkele kleinere plaatsen hadden de Duitse commandanten reeds in het begin van de avond –voordat er orders waren- op de eerste vordering van de BS gecapituleerd en zich met hun troepen krijgsgevangen gegeven onder bewaking van de BS – enkele der laatstbedoelde Duitse commandanten joegen vervolgens de BS in de loop van de nacht weer weg, toen zij de juiste orders hadden vernomen. Met uitzondering van een enkel geval (Utrecht, 5 Mei) zonder bloedvergieten. Door deze toestanden laat zich het bevel van de CBS van Zaterdag 5 Mei 11.45 uur nr 1B (zie bijlage 33) verklaren, dat rekening moest houden met verschillende situaties.
In de loop van Zaterdag 5 Mei verschenen nadere orders van de BNS, die de bevelen van de CBS van 5 mei 1945 nr 2 en 4B (zie bijlagen 34 en 35) tengevolge hadden, waardoor men allerwege meer houvast kreeg voor de te volgen gedragslijn in de overgangstoestand.

Verdere orders die voor dit tijdperk van belang waren, zijn de bevelen van de CBS van zondag 6 Mei nr 1B met Dagorder van de BNS en van 6 Mei n3 3B (zie resp. de bijlagen 36 en 37).
Uiteraard kwamen in de overgangsperiode nog verschillende incidenten voor. De intocht der Canadezen, die aanvankelijk op 7 Mei was bepaald, ging voor Amsterdam praktisch niet door, daar die dag alleen een paar pantserauto’s korte tijd in de stad vertoefden. Die maandagmiddag ontstond het bekende ernstige incident bij de Grote Club op de Dam, dat aan enkele tientallen burgers het leven kostte.
Alvorens op Dinsdag 8 Mei de Canadezen binnenrukten, bleek dat de Canadese legerleiding, kortweg gezegd, niets van de BS moest hebben. Als reden werd o.m. wel vermeld, dat de C.-1e Can.Leger en C.-1 Can. L.K. tevoren in Italië en Frankrijk zulke ongunstige ervaringen hadden opgedaan, met gewapende verzetsstrijders, dat zij zich voor een herhaling wel wachtten en de BS niet anders dan heel geleidelijk en mondjesmaat volgens door hem te stellen regels gewapend op de straat wensten te zien. Dit was voor de BS’ers des te pijnlijker, daar zij in verschillende plaatsen, zoals vermeld, reeds waren opgetreden, terwijl de tot nu toe ontvangen orders de nodige taken voor de BS in het verschiet hadden gesteld.
Dan nog de psychologische factor: door de capitulatie der Duitsers werd door de BS in het Westen geen strijd geleverd, zulks tot grote teleurstelling van vele BS’ers, die gloeiden van haat tegen de vijand, die hen maanden lang zo genegeerd had en zoveel landgenoten had uitgehongerd, mishandeld en gefusilleerd. En nu mocht men zelfs de Canadezen bij het ontwapenen en afvoeren van de vijand nog niet eens behulpzaam zijn. Dit was het effect, dat in Amsterdam, den Haag en Rotterdam teweeg werd gebracht door bevel van de CBS van 8 Mei 1945, 02.45 uur, nr 1B met de daarbij behorende order van de BNS van 7 Mei (zie bijlage 38). Ook het daarop volgende bevel van de CBS van 8 mei 1945 nr 2B, dat voor het hele Westen gold en een beperkt optreden van de BS in het uitzicht stelde, kon deze teleurstelling niet opheffen (zie bijlage 39). Het is mij dan ook bekend, dat men zich allesbehalve strikt aan deze orders heeft gehouden, ook niet ondanks de Proclamatie nr 2 van C.-1 Can.L.K. (zie bijlage 40).
Toen echter op Dinsdag 8 Mei de Canadezen verschenen, niet in geregelde colonnes zoals werd verwacht, doch met een groot aantal feestwagens -d.w.z. lege vrachtauto’s, ieder bemand met 2 Canadezen, die in een oogwenk met zingende jongens en meisjes was gevuld- stond iedere plaats dusdanig op zijn kop, dat de aandacht volkomen was afgeleid. Ook het feit dat de Canadese armbanden, gemerkt MP en RP (Military Police en Regimental Police) –welke voor de BS nodig waren om gewapend op straat te kunnen verschijnen- nog niet direct aanwezig waren, deerde weinig.

Voor de Staf van de CBS was het werk als bevelsorgaan inmiddels practisch afgelopen. De BNS nam direct alle gewesten rechtsreeks onder zijn bevel en oefende het commando uit door middel van Verbindingsofficieren, die over de gewesten uitzwermden. Voor verschillende zaken kwam de Staf CBS nog wel in actie, doch practisch was deze Staf niet veel meer dan een distributieorgaan en afwikkelingsbureau voor de overgangstoestand. In de loop van de volgende weken werd de Staf geheel ontbonden. Alleen voor incidentele gevallen bemiddelde de CBS nog verschillende malen. Voor de Staf CBS was het einde echter gekomen.
WASSENAAR, 31 Augustus 1949

De Luitenant-Kolonel van de
Generale Staf


 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *