Verslag van C.F. Overhoff

GEWESTELIJK COMMANDANT • STRIJDEND GEDEELTE • BINNENLANDSCHE STRIJDKRACHTEN.
GEWEST 10.
Procesverbaal
Betreffende het gebeurde op den Dam en het Centrum der stad Amsterdam op 7 Mei 1945.

In den namiddag van 7 Mei bevond ik, C.F. Overhoff, Gewestelijk Commandant van het Strijdend Gedeelte der Binnenlandsche Strijdkrachten in Gewest 10, mij te ongeveer 3 uur op den Dam en wel voor den ingang van het Hotel Krasnapolsky.
Ik was daar, omdat ik twee geallieerde officieren op hun verzoek had moeten begeleiden naar de bureaux van het A.N.P. Ik stond met het gezicht naar het Koninklijk Paleis en hoorde een schot vallen. De Dam was gevuld met een groote menschenmenigte, die heen en weer liep; er werd muziek gemaakt.
Even later hoorde ik een tweede schot, de menschenmenigte kwam echter niet in beweging.
Onmiddellijk daarna nam ik waar er dat Duitse soldaten zich bevonden voor de ingang en op het balkon van de Groote Club en even later zag ik deze soldaten vuren in de menschenmenigte in de richting Nieuwendijk. Nog even later volgden twee serieschoten uit machinegeweren, eveneens afgevuurd uit de Groote Club. Daarop volgden vele schoten en inmiddels was de menschenmenigte bezig in paniek de Dam te verlaten.
Het geschiet ging daarop voort en ik zag hoe o.m. in de Warmoesstraat op de hoek van den Dam mannen der BS kwamen aanlopen en stelling nemen op de hoek van het huizenblok Bijenkorf.
De beide Canadeesche officieren waren inmiddels op straat gekomen en een ervan nam een Nederlandsche karabijn over met de bedoeling op de Groote Club te vuren. Ik vroeg hen dit na te laten, evenals ik zelf deed ten opzichte van mijn eigen mannen. De Canadeesche officier vroeg mij: “You don’t want me to fire, en voegde er aan toe: all right, then I won’t do it” en gaf de karabijn terug.
Voorziende dat dit incident een grooten omvang zou gaan aannemen, zooals in dergelijke gevallen bekend is, overlegde ik bij mijzelf wat te doen. Ik besloot dat het enige middel was, in gezelschap van een Duitse officier op de plaats van het incident terug te keren en begaf mij per motorrijwiel naar de Kommandantur op het Museumplein, alwaar ik en den Ortskommandant de begeleiding van een Duitsch officier vorderde.
Mij vergezelde daarop de Hauptmann Bergmann van de Feldgendarmerie en ik liet hem in de zijspan plaatsnemen, terwijl ik zelf achter den motorrijder plaatsnam.
De Hauptmann vroeg mij wat er gebeurd was en ik vertelde hem van de begonnen schieterij. Hij vroeg mij welke Duitschers vuurden en ik antwoordde hem dat dit de Groote Club was. Hij zegde mij daarop: “Das ist natürlich wieder die verdammte Marine, welch eine Schweinerei.”

Rechts op de foto: C.F. Overhoff. Foto gemaakt door J.W. Hofman, collectie Stadsarchief Amsterdam

Rechts op de foto: C.F. Overhoff. Foto gemaakt door J.W. Hofman, collectie Stadsarchief Amsterdam

Wij reden in de richting Dam, langs de N.Z. Voorburgwal gekomen ter hoogte van de St. Luciensteeg, bevonden wij de straat geheel ontruimd, terwijl in alle zijstraten burgers stonden.
Wij lieten het motorrijwiel achter en de Hauptmann, mijn motorrijder (wachtmeester der marrechaussée) en ikzelf begaven ons te voet in de richting Dam. Wij hoorden voor ons van alle kanten vuren.
Bij de Paleisstraat gekomen sloegen wij deze in, forceerden de palissade voor de Groote Club en stormden naar binnen. De Hauptmann vroeg naar den Commandant, die boven was. Alle vier verdiepingen en het dak waren door Duitschers bezet in volle alarmstelling, de mitrailleurs achter in de kamer, manschappen vurende en gereed tot vuren.
De Hauptmann en ikzelf bevalen een ieder het vuur te staken en eindelijk, op de zolderverdieping gekomen, vonden wij den commandant. De Hauptmann beval dezen dat geen enkel schot meer mocht worden gevuurd. Op zijn vraag waarom er werd geschoten antwoordde deze dat dit was op de leden der ondergrondsche beweging; deze zouden schoten hebben gelost.
Ik constateerde inmiddels dat de vuurrichting was uitsluitend de richting Nieuwendijk – Damrak. Wij begaven ons weder naar beneden en op straat, liepen langs het Paleis naar de Mozes- en Aáronsraat. Hier waren leden der BS in het postkantoor en daarvoor en in de achterportiek van het Paleis, terwijl ongeveer 100 meter verder, meer Noordelijk, iets voorbij de Gravenstraat, drie Duitsche wagens stonden, terwijl aan alle zijden Duitschers in huizen en portieken vuurden in Zuidelijke richting.
Ik liet de leden der BS het vuur staken en de Hauptmann deed desgelijks ten opzichte van de Duitschers. Overigens liet ik iedereen naar binnen gaan en de ramen sluiten. De Hauptmann liet de Duitschers verzamelen en de wagens in de Gravenstraat aftrekken.
Nadat het hier stil geworden was, begaven wij ons te voet terug naar den Dam, passeerden de Bijenkorf naar den Warmoesstraat, terwijl ik de leden der BS in de Nieuwendijk en in de Warmoesstraat naar hun kwartieren deed teruggaan.
Ik moet hierbij nog opmerken dat tusschen het Paleis en het postkantoor een verlaten Ueberfallwagen der Groene Politie stond, zonder dat ik heb constateren waar zich de bemanning daarvan ophield.
Nadat dus ook de hoek Warmoesstraat was gezuiverd, begaven wij ons over den Dam terug naar de achterzijde van het Paleis en haalden ons motorrijwiel op. Hiermede begaven wij ons wederom terug, passeerden den Dam en reden het Damrak op. Ook dit was volkomen verlaten, terwijl de burgers zich in zijstraten en -stegen bevonden. De Dam zelf bood een tragischen aanblik en wij constateerden dat de dooden zich alleen bevonden voor de Nieuwe Kerk, den ingang van de Nieuwendijk en de huizen rechts en links daarvan, derhalve uitsluitend getroffen door Duitsche schoten.

Het was de Hauptmann die speciaal hierop de aandacht vestigde. Overigens waren de gevolgen van de paniek: gebroken rijwielen, hoeden, schoenen, enz.
Halverwege het Damrak stootten wij nog op leden der BS die ik in de huizen deed teruggaan. Voortgaande in de richting Centraal Station hoorden wij een levendig geweervuur en gekomen op de hoek van het Victoria-Hotel, werd de motorrijder door een doodelijk schot in het hart getroffen. Hij was terstond dood en gleed zijdelings uit het zadel. Daar zijn laatste daad geweest was de motor in den vrijloop te zetten, slaagde ik er in het voertuig snel tot stilstand te brengen zoodat geen verder ongeluk gebeurde.
Ter plaatse vonden wij Groene Politie, in dekking in het plantsoen front Warmoesstraat. Er waren twee gesneuvelden.
Ik stelde vast dat het schot hiervoor bedoeld moest zijn afgevuurd van of bij het Centraal-Station, daar wij op het moment zelf nog in die richting reden.
Te voet begaf ik mij in de richting Warmoesstraat over de brug over het Damrak, alwaar ik eveneens mannen mijnerzijds vond, die ik in de huizen liet teruggaan. Ik liet hen bovendien terugtrekken uit de huizen langs de Warmoesstraat, waarvan de achterzijde uitzicht had op het Victoria-Hotel.
De zaak werd inmiddels echter gecompliceerd, doordat op hetzelfde moment een 20-tal Duitschers per fiets aankwam, die onze mannen ziende, onmiddellijk van het rijwiel gingen en stelling namen ten aanval.
De Hauptmann en ikzelf brachten ook deze mannen tot bedaren en lieten hen zich verwijderen. Ter plaatse stonden twee Duitsche auto’s, waarvan de inzittenden zich in de huizen bevonden, naast die waarin mijne mannen waren. Ook de bezetting dezer auto’s hebben wij opgezocht en teruggehaald.
De Hauptmann is daarop naar het Victoria-Hotel teruggegaan en ik heb mij langs de Prins Hendrikkade begeven naar de Oostelijke vleugel van het Centraal Station. Hier stonden twee Duitsche Ueberfallwagens, waarbij één doode.
Het midden van het C.S. was door mijne menschen bezet. Ook deze hebben zich teruggetrokken. Het Oostelijk gedeelte van het C.S. was door de Duitschers bezet en op hun beurt werden deze tot bedaren gebracht. Toen ook dit gebeurd was, werden geen verdere schoten gehoord.
Ik begaf mij toen naar het Victoria-Hotel, waar ik de Hauptmann terugvond en waar even later een Duitsche auto aankwam, omdat wij ons motorrijwiel niet meer konden gebruiken. (Dit motorrijwiel was niet beschadigd en heb ik den volgenden dag doen terughalen, terwijl de gesneuvelde wachtmeester naar de Zuider Kerk is overgebracht)
Met de Duitsche auto moesten wij ons daarna verplaatsen over Dam, Rokin naar Amsterdam Zuid. De Hauptmann meende daarop dat dit een gevaarlijke onderneming was. Ik liet hem echter instappen, terwijl ik hem vertelde dat ik hem zou beschutten en nam zelf op de motorkap plaats. Zonder eenig incident passeerden wij echter den Dam en het Rokin, waar ik ter hoogte van het Spui nog een aantal mijner menschen aantrof, die op mijn bevel naar hun kwartier teruggingen.

Hiermede was het incident geëindigd en eindigde ook mijn ooggetuige-verslag.

Ik voeg hieraan nog het volgende toe:
De oorsprong ven de hele schieterij heb ik niet vastgesteld. Zoals in dergelijke gevallen, lokte het eene schot het andere uit. Zeker is, dat de leden der BS, behalve zij die voor wachtdienst op straat waren, eerst naar buiten zijn gekomen nadat het vuren was begonnen.
Ik geloof dat de gekozen oplossing de eenige geweest is welke tot beperking van het onheil heeft kunnen leiden. Ware het niet mogelijk geweest het in te dammen, dan zou, met het oog op het aanzienlijk aantal gewapende Duitschers ter plaatse, het geval een ongekenden omvang hebben aangenomen.
Ik ben tot dank verplicht een den Hauptmann Bergmann, die niet heeft nagelaten aanstonds aan mijn verzoek tot assistentie te voldoen, al was het hem onbekend in welke gevaren ik hem voerde. Hij heeft mij energiek bijgestaan en niet geaarzeld in te grijpen waar zulks noodig was, terwijl hij de gevaren die aan onze interventie verbonden waren, volkomen met mij gedeeld heeft.
Dezelfde eer breng ik aan de nagedachtenis van den wachtmeester De Jong, die ons vergezelde.
Ik heb geconstateerd dat beide partijen, zoowel Duitschers als Nederlanders, uiterst nerveus waren, doch dat beiden aan de gegeven bevelen gehoor gaven.
Voor wat de Nederlanders betreft, hebben zij dezen vuurproef goed doorstaan door mijne aanwijzingen en bevelen onverwijld op te volgen, terwijl zij daarbij blijk gaven van zóó groote discipline, dat de Hauptmann dit “fabelhaft” noemde.
Te merkwaardiger is dit, omdat zij voor de eerste keer bovengronds kwamen en mij als hun commandant voor de eerste maal zagen.
Ik heb gemeend dat het van waarde zou zijn te beschikken over een Duitsch rapport naast het mijne en derhalve den Hauptmann verzocht zijne ervaringen op te schrijven. Hij heeft dit gedaan en ik heb het den volgende dag van hem ontvangen.
Ik hecht een copie daarvan dan ook hieraan als bijlage.

 

Amsterdam, 9 Mei 1945.
(C.F. Overhoff)
Gewestelijk Commandant- Strijdend Gedeelte- Binnenlandsche Strijdkrachten van het Gewest 10. (Amsterdam en randgemeenten.)

Verklaring Overhoff pag. 1

Verklaring Overhoff pag. 1

Verklaring Overhoff pag. 2

Verklaring Overhoff pag. 2

Verklaring Overhoff Pag. 3

Verklaring Overhoff Pag. 3

Verklaring Overhoff. Pag. 4

Verklaring Overhoff. Pag. 4

1 Reactie

  1. Richard van Arkel

    C.F. Overhoff, reserve Majoor,is lid geweest van Commissie Beoordeling Officieren Bezet Gebied waar Generaal-majoor H. Koot voorzitter was.

    Reageren

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *