
Fredericus Joseph Budde – Herman
Hengelo 13 maart 1916 – Amsterdam 7 mei 1945
De ouders van Fredericus Joseph, roepnaam Herman, trouwden in 1908 in Londen:
Fredericus Johannes (Frits) Budde (1882-1966) en Theodora Maria Sötebeer (1876-1927).


Vader Frits en de kinderen, naast hem Dolly, achter van links naar rechts: Herman, Theo en Fred. Datering ca 1932.
Herman trouwde op 15 december 1937 met de uit Zaandam afkomstige Klasina Kok (1915-1993) en zij woonden vanaf november 1944 op de Zieseniskade 21-II. Er werden drie kinderen geboren, Frits, Dora en Huib. Herman overleed op 7 mei om 15.00 uur op de Dam als gevolg van schotwonden. Herman werd gedood in het bijzijn van zijn oudste zoon.
‘We hadden twee kinderen, een jongen en een meisje. Herman dook onder, vlak voordat in november 1943 onze derde geboren werd. De ondergrondse raadde me aan te verhuizen en zo kwamen we vanuit Zaandam eind 1944 terecht op de Zieseniskade in Amsterdam. Op de avond van de 4e mei kwam Herman thuis.
Wat waren we gelukkig! De bevrijding stond voor de deur en Herman zei: ‘Klasien, we gaan een heel nieuw leven beginnen.’
Op maandag 7 mei gingen we met ons allen de stad in om al die blije mensen te zien en de Canadezen toe te juichen op wie iedereen stond te wachten. We zouden eerst naar de Berlagebrug gaan, maar gingen naar de Dam omdat Herman bij het Parool een afspraak had om 16.00 uur om illegale blaadjes op te halen om rond te brengen. Maar het was er zo druk en ik was zo zwak van het alleen maar suikerbieten eten in de hongerwinter, dat Herman zei: “Ga jij met de twee kleinsten maar alvast naar opa, ik kom zo”. Frits, onze oudste, bleef bij hem. Maar Herman kwam niet naar opa en ik werd bang en ging naar huis. Voor de deur stond Fritsje. Onder het bloed. Hij zei: “Papa is op de Dam geraakt toen de Duitsers begonnen te schieten. Hij viel bovenop me. Ik ben een schoen kwijtgeraakt”. Een meisje had hem van de Dam naar huis gebracht. Ze zei tegen me: “Er komt iemand naar u toe om u te vertellen wat er met uw man precies aan de hand is”.’
Zo vertelde weduwe Klasina jaren later in de Telegraaf van 7 mei 1982.


Op 6 mei 1945 ontving vader Frits een telegram van zijn broer Theo Budde uit Ootmarsum: ‘Proficiat. Eindelijk vrij! Hier is alles goed. Hoe is het met jullie allemaal. Hopelijk ook goed en tot ziens. Hartelijke groeten oom Theo.’ Op de achterkant van dit telegram staat in potlood de reactie van Frits, mogelijk genoteerd door de beambte: ‘Dank voor uw brief, allen hartelijk gefeliciteerd met bevrijding. Onze Herman slachtoffer schietpartij Dam, tijdig bediend, begrafenis maandag. Dorus nog geen bericht. Tot ziens Frits 11 mei 1945’.

In 1947 hertrouwde ze met Andries Johannes Derksen (1906-2003), een weduwnaar met 4 kinderen. Samen kregen ze er nog 2 zodat ze de zorg had voor 9 kinderen. Het huwelijk was slecht en uiteindelijk scheidde ze in 1970. Uit hetzelfde artikel in de Telegraaf: ‘Al die jaren ben ik bezig geweest om smartengeld te krijgen of een schadevergoeding, maar ik hoorde steeds dat ik niet in aanmerking kwam, omdat de oorlog eindigde op 5 mei 1945. Ik heb in al die jaren negen kinderen grootgebracht en ik moest elke cent omdraaien. Nu ik sinds kort AOW heb, gaat het mij niet meer om het geld, maar om de erkenning. De erkenning kan mij helpen van mijn syndroom af te komen, want de gebeurtenissen van die 7e mei 1945 spoken nog dagelijks in me rond. Dat ik nooit in aanmerking kon komen voor een of andere uitkering, heeft me altijd gegriefd. Al die weigeringen vernam ik steeds toen ik met mijn negen kinderen moest zien rond te komen met een absoluut bestaansminimum. Mijn tweede man verdiende bijna niets. Al die weigeringen en dat steeds opnieuw horen dat er voor mij geen regeling bestond, dat heeft mij het verwerken van het verlies van Herman alleen maar moeilijker gemaakt. Het is een syndroom geworden, waar ik dagelijks mee worstel.’
Dochter Theodora (Dora): ‘Eind jaren ’80 kwam erkenning door de WUBO waardoor mijn moeder de officiële status kreeg als ‘weduwe van een burgeroorlogsslachtoffer’ en ontving een geldbedrag ineens, een klein bedrag waar nog belasting over betaald moest worden. Na 45 jaar was het geld niet meer nodig.’

Dora zette vanaf 1985 het werk van haar moeder voort. In 2004 stond in het weekblad Libelle een persoonlijke oproep aan mensen die op 7 mei 1945 ook op de Dam waren, om hun verhaal te vertellen waarop veel reacties kwamen. Stichting Memorial ontving deze brieven en heeft een deel daarvan op de website geplaatst.
In 2013 plaatste het weekblad Vriendin een artikel, waaruit deze samenvatting : ‘Mijn vader had het helaas niet gered. Ik was nog te jong om het bewust mee te maken, maar voor mijn moeder was dit een grote nachtmerrie. Later stond ze er alleen voor en waren we met z’n elven thuis. Over mijn vader werd nooit gesproken. Nooit. Ik wist niet beter dan dat hij in Rusland of Duitsland gevangen zat en ooit weer terug zou komen. Daar hoorde je over praten, als kind wil je dat geloven. Mijn vader zou hoe dan ook terugkomen. Punt.’
‘Mijn stiefvader was geen prettige man. Weinig liefdevol. In mijn gedachten was m’n vader altijd beter, leuker en sterker dan alle andere vaders. Dat had natuurlijk helemaal niet zo hoeven zijn, maar ik had hem nooit gekend. Ik romantiseerde hem. Het beeld dat ik van hem had, was dat van een lieve, zachte man. Vol levenswijsheid. Net als mijn grootvader. Op mijn dertiende vroeg mijn moeder aan ons of we het goed vonden dat het graf van onze vader geruimd zou worden. Het graf? Ik wist niet eens van het bestaan van een graf. Toen pas drong het tot me door: mijn vader is dood. Omgekomen in de oorlog. En hij komt nóóit meer terug. Nooit. Dat deed verschrikkelijk veel pijn. Te veel om erover te praten. Zowel voor mij als mijn moeder. Daarom werd de situatie rondom mijn vader nog steeds doodgezwegen. Wel werd het graf geruimd.’
‘Naast mijn eigen gemis, had ik ook erg met mijn moeder te doen. De liefde van haar leven werd vermoord, zo zinloos. Daarna is ze nooit meer zo gelukkig geweest als met hem. Dat vind ik zo erg voor haar. Het heeft heel lang geduurd voordat ze door de overheid erkend werd als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer. Er werd gezegd: “De oorlog heeft geduurd van 10 mei 1940 tot 5 mei 1945. Dit incident is gebeurd op 7 mei 1945, dus u heeft nergens recht op. Dat is de wet.” Ongelooflijk, hoe hard instanties kunnen zijn. Mede hierdoor leefden we in armoede. Zowel mijn broers als ik konden goed leren, maar er was geen geld voor vervolgonderwijs. Daarom moesten we vanaf ons veertiende aan het werk. Pas eind jaren 80, veertig jaar nadat mijn vader is vermoord, werd m’n moeder eindelijk erkend als weduwe van een burgeroorlogsslachtoffer. Dat vind ik echt schandalig. Ze heeft toen een fooitje gekregen. In die periode hebben we voor het eerst intense gesprekken over mijn vader gehad. Pas toen hoorde ik de details. Dat was erg emotioneel.
Met mijn broers praat ik nooit over onze vader. Voor mijn oudste broer, die er ook bij was op de Dam, is dit te zwaarbeladen. Mede hierdoor is het voor mij extra prettig dat ik naar een plek kan gaan om mijn vader te herdenken. Voor mij is dat de Dam. Soms blijf ik daar uren op een bankje zitten, en denk ik: waar zou het gebeurd zijn? Die momenten geven mij troost. Vroeger haatte ik Duitsers. Als ik tijdens een vakantie iemand alleen al die taal hoorde spreken, liepen de rillingen over mijn lijf. En als ik een Duitse man zag, vroeg ik me af of dat de moordenaar van mijn vader zou zijn. Tot ik een keer de uitspraak `Haat vernietigt jezelf’ las. Ja, dacht ik toen: een mens moet kunnen vergeven. Toch word ik al bij het woord ‘oorlog’ angstig. Een oorlogsfilm kijken, een boek over de oorlog lezen; ik kan het niet. Het doet te veel pijn. Al ruim vijftig jaar bid ik iedere avond voor het slapengaan: laat er geen oorlog uitbreken. Voor veel mensen is het vanzelfsprekend dat ze in een land wonen waarin het al zo lang vrede is. Maar voor mij is het een groot goed, waar ik iedere dag dankbaar voor ben. Ieder jaar op 7 mei brand ik om 15.00 uur een kaarsje voor mijn vader. Ook al heb ik hem niet bewust mogen leren kennen, het doet nog steeds verschrikkelijk veel pijn om over hem te praten. Hoe kan dat toch, denk ik soms. Maar het is mijn vader. Zijn bloed zit in mij. Ik ben ervan overtuigd dat mijn vader, als ik doodga, op me staat te wachten. Die gedachte geeft rust.’

Herman werd begraven op 14 mei 1945 op begraafplaats de Nieuwe Ooster; het graf werd geruimd.
Herman Budde werd 29 jaar.

Familiefoto’s ter beschikking gesteld door familie Budde.
Oorspronkelijke publicatiedatum: 27 juli 2013
Laatste bewerking van deze pagina: 22 september 2025
Ontdek meer van Stichting Memorial voor Damslachtoffers 7 mei 1945
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.