André Klukhuhn

André Klukhuhn, *1940

Foto: Cas Oorthuys, Nederlands Fotomuseum

Met zijn ouders en oudste zus woonde André in de Orteliusstraat. Als 4-jarige was hij aanwezig op de Dam en getuige van de beschietingen:

…” En dan op 7 mei 1945, twee dagen na de overgave van het Duitse leger, het schieten van een stelletje dronken militairen vanuit een raam van de Industrieele Groote Club op de samengepakte menigte die met rood-wit-blauwe vlaggetjes in de hand op de Dam stond te wachten op de intocht van de Canadese bevrijders: ‘Hi ha Canada, geef me ’n stukkie chocola, chocola dat lust ik niet, geef me maar een suikerbiet.’ Toen het geweervuur losbarstte werd ik met mijn moeder door een padvinder met groene kwastjes aan zijn kniekousen uit de in paniek naar alle kanten wegvluchtende menigte getrokken en in een winkel in veiligheid gebracht, maar ik was in het gedrang mijn vlaggetje kwijtgeraakt. Ik rukte me los van de padvinder en rende tussen de om mijn oren fluitende kogels door naar buiten om het te zoeken. Ik vond het naast een jongetje dat bloedend op de grond lag en rende ongedeerd weer terug naar mijn moeder die het allemaal verlamd van angst door het winkelraam had staan aanzien. Opgetogen zwaaiend met mijn hervonden vlaggetje stond ik naast een huilende vrouw die maar bleef roepen: ‘Mijn zoon is dood! Mijn zoon is dood!’ Na het herstellen van de rust en het afvoeren van de slachtoffers moest ik samen met mijn moeder en mijn vlaggetje op de foto, bedoeld als illustratie bij een artikel in een Amerikaans tijdschrift, uitgehongerd als we allebei waren, en ik met mijn spillebeentjes uit de wijde pijpen van mijn korte broekje, als bewijsstuk voor de ellendige omstandigheden waarin we hadden verkeerd.

Bron Trip naar het morgenland

Kinderen zijn zeer gevoelig voor dingen in hun directe omgeving. Als de marmot doodgaat, is een kind getraumatiseerd. Maar als er op straat zes mensen die hij niet kent worden doodgeschoten, is dat een gebeurtenis die hem verder totaal onberoerd laat. Ik heb de schietpartij op de Dam meegemaakt, op 7 mei 1945. Ik was vier jaar. De kogels vlogen om mijn oren, om me heen lagen dode mensen. Ik zag hoe iemand werd doodgeschoten. Ik hoorde een knal en ik zag een fietser tegen de huizen aanrijden, hij klom met zijn vingers nog een stukje tegen de muur omhoog en viel toen dood neer. Ik heb daar niks aan overgehouden. Ik kende die fietser niet, het was mijn fiets ook niet, dus het zal je als kind echt worst wezen. Maar: als mijn moeder bijvoorbeeld haar teen stootte en hard au! riep, was ik de hele dag ontdaan. Over die enge wereld buiten.

Bron NRC 28 juni 2013

 

Views: 155

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.