Mr. G. van Hall

Gijsbert van Hall

Gijsbert van Hall (21 april 1904 – 22 Mei 1977) was een PvdA politicus en burgemeester van Amsterdam tussen 1957 en 1967. Hij was getrouwd met de Amsterdamse uitgeversdochter Emma Nijhoff. Zijn broer Walraven van Hall was bankier en één van de leiders / financiers van het verzet gedurende de tweede wereldoorlog.

Hij heeft twee verslagen gemaakt over de schietpartij op de Dam:
– Nieuw Israëlisch Weekblad, 1 mei 1970
– Ervaringen van een Amsterdammer

Beide zijn opgenomen op deze pagina.


Nieuw Israëlisch Weekblad


De week vóór de bevrijding was het in Laren-Blaricum waar wij toen woonden plotseling stil. De dagen daarvoor hadden wij voortdurend kanonnen gehoord, maar wat was van de ene dag op de andere opgehouden. Wij begrepen wel dat er iets ging gebeuren maar wat dat zou zijn? Eind april was een afdeling van een SS-divisie in onze dorpen gekomen en de soldaten waren druk bezig versterkingen aan te leggen bestemd om een aanval vanuit Baarn tegen te houden. Wij mochten slechts een uur per dag het huis uit.

4 Mei 20:15 uur.  Door het dennenbos achter ons huis waren wij, zoals gewoonlijk naar het huis van een vriend gegaan die een radio met batterij had om samen met onze onderduikers naar Radio Oranje te luisteren. Niets over ons land! Wij besloten tot 9 uur te wachten voor het nieuws van de BBC. Toen kwam het dan: capitulatie van de Duitse troepen op 5 mei ook in Nederland. Wij vlogen het huis uit om anderen het nieuws te vertellen. Dit hield op toen woedende SS’ers de straat op kwamen en begonnen te schieten.

5 Mei “Bevrijdingsdag”. 6 uur ‘s morgens. Een boodschapper komt langs met de mededeling dat de SS-Commandant van Laren-Blaricum weigert zich over te geven, dat hij zich met zijn mannen wil doodvechten en dat iedereen in huis moet blijven. Deze dag is dus voor ons als alle vorige dagen, zij het dan dat wij nu weten dat de oorlog in feite uit is. Dat de radio om het uur roept “wij zijn vrij, wij zijn vrij!” maakte het ons niet makkelijker die dag, met de Arnhemse evacués door te komen. Degenen die aan de Eemnes er- of Hilversumse kant wonen, kunnen de kerkklokken horen en muziek en ander feestlawaai, maar in ons dorp is er vanzelfsprekend nog niets. Pas zondag geeft de SS’er zijn tegenstand op en vieren ook wij onze bevrijding. Dit gebeurt o.a. op een groot grasveld bij het huis van de plaatselijke NSF-vertegenwoordiger, tevens BS-commandant, waar, in tegenwoordigheid van de destijds afgezette burgemeester van Blaricum, de illegaliteit en talloze onderduikers, waaronder een aantal Engelse en Amerikaanse vliegeniers, de vlag wordt gehesen en het Wilhelmus gezongen. Een aantal meisjes hebben oranje jurken aan, gemaakt van parachutedoek afkomstig van wapendroppings. De laatste resten opgespaard voedsel en drank komen tevoorschijn: een feestelijke dag in alle opzichten!

Maandag 7 Mei. Ik besluit naar Amsterdam te gaan om te zien hoe het daar is. Ik ga naar een medewerker van het NSF die zijn kantoor op de bovenste verdieping van de Industrieele Club op de Dam heeft.

Langzamerhand druppelen daar meer vrienden naar binnen. De Dam staat vol met een juichende mensenmenigte. Plotseling komen een paar kleine Canadese pantserwagentjes bedekt met bloemen en meisjes, die onder oorverdovend gejuich, een rondje draaien om de Dam en dan weer uit het zicht verdwijnen. Kort daarna hoor ik schieten. Ik stond bij het raam en zie pannen van het dak van de Nieuwe Kerk vliegen. Direct daarop begint de troep Duitse marine soldaten die in de Groote Club ingekwartierd waren en die, naar later bleek, stomdronken was, te schieten op de menigte.

Een paniek ontstaat: de mensen proberen zich in veiligheid te stellen op de Nieuwendijk, Damrak en Rokin, sommigen verbergen zich achter een kiosk en lantaarnpalen –alleen een aantal doden en gewonden blijven achter. Niemand weet wat te doen behalve een padvinder die met een bakfiets waaraan hij een stok met een witte doek heeft gebonden, de Dam op gaat om gewonden op te halen. In de Industrieele Club gaat het gerucht dat daar een Canadees officier is gezien. Iedereen gaat zoeken, hij wordt tenslotte in een kast gevonden waar hij zich verborgen had, maar blijkt een Hollandse journalist te zijn!

Voor het Paleis is een groep BS’ers die een Bazooka of soortgelijk wapen bij zich hebben. Hun commandant was dr. H.A.L. Trampusch, nu lector in de embryologie in Amsterdam, een Oostenrijker die na de intocht van Hitler en Wenen naar Nederland was gegaan, aan de Universiteit van Amsterdam verbonden werd en ondergedoken was toen hij als Rijks Duitser (!) in het leger zou worden ingelijfd.

Hij rent naar het telefoonkantoor aan de N.Z. Voorburgwal, belt de Groote Club en bedreigt de Duitsers daar (zich voortgevende de Ortskommandant te zijn) met onmiddellijke executie als het schieten niet dadelijk ophoudt. Dit laatste gebeurt dan ook: even later komt Overhoff, de Amsterdamse commandant van de BS, met de echte Ortskommandant. Van de hoek van het Damrak lopen zij onder doodse stilte langzaam naar de Groote Club. Er wordt dan ontdekt dat in de grote conversatiezaal op de hoek van de Kalverstraat en Dam tegen de muren drie of vier dik honderden en nog eens honderden landmijnen waren opgestapeld.

Mijn stemming was intussen aanzienlijk beneden nul gedaald. Als dat nu de bevrijding was! Ik besloot dus maar weer naar huis te fietsen. Op de weg dichtbij Muiden werd ik gewaarschuwd dat de Duitsers, bij de Vecht, alle fietsers aanhielden en hun fietsen afpakten om niet naar een gevangenkamp te hoeven lopen! Ik was nog zo razend over de schietpartij op de Dam, dat ik doorreed om, toen ik ook werd aangehouden, een papier uit mijn zak te halen wat de Persoonsbewijzen Centrale (PBC) eens voor mij gemaakt had. Daarin werd, van allemaal valse handtekeningen en stempels voorzien, verklaard dat ik zéér belangrijke werkzaamheden voor de Wehrmacht verrichtte. Ik had het nooit eerder gebruikt en wilde nu wel eens zien wat voor effect het zou hebben.

Dat kwam dan ook prompt, hakken tegen elkaar, salueren en ik kon doorrijden, wel enigszins wantrouwend nagekeken door enkele Hollanders. Het was een vreemd einde van drie zo emotievolle dagen!

Mr. G. Van Hall
Bron: Nieuw Israëlisch Weekblad, 1 mei 1970 (pag 12)


In het boek “Ervaringen van een Amsterdammer” beschrijft van Hall de schietpartij op de Dam op pagina 94 t/m 96:

Ik was trouwens psychisch zowel als physiek al lang niet meer in topconditie. De dood van mijn broer en tevens beste vriend had mij een geweldige klap gegeven. Vanzelf speelde mij steeds de kwellende vraag door het hoofd of ik, door inschakeling van hoge Nederlandse autoriteiten, zijn dood niet had kunnen voorkomen. Tevens waren de lange en vaak moeilijke fietstochten mij niet in de koude kleren gaan zitten. De laatste dagen voor de capitulatie was ik dan ook thuis. Iedere avond gingen wij door het bos naar onze achterbuurman, hoofd van de plaatselijke BS, om naar Radio Oranje te luisteren. Hij had namelijk een radio die op batterijen werkte. Vrijdag 4 mei waren wij er weer om kwart voor negen. Er was allerlei nieuws, maar niets over capitulatie. Wij bleven nog wat zitten en om 9 uur kwam de BBC met het grote nieuws: capitulatie in West-Europa! Onmiddellijk gaven wij dit door en kort daarna kwamen allerlei opgeluchte mensen op straat om de bevrijding te vieren. De Duitsers maakten daar echter met schieten spoedig een einde aan. De zaterdag was bij ons ook geen opgewekte dag. Kort tevoren was namelijk een afdeling van de Hermann-Göring-divisie in Laren en Blaricum gelegerd, en de commandant daarvan verklaarde dat hij zich niets van de capitulatie zou aantrekken en zich tot de laatste man zou verdedigen als de Geallieerde troepen zouden komen. De spertijd bleef gehandhaafd. Eén uur mochten wij op straat om Zweeds brood te halen, maar buiten dat uur zou op iedereen geschoten worden die zich op straat bevond. Het gevolg hiervan was onder andere dat de BS, die geheel gewapend klaar stond om de zaak in handen te nemen, direct weer moest onderduiken. Het was een vreemde dag. Het was prachtig weer en wij zaten in de tuin, hoorden de hele dag het luiden der kerkklokken in Eemnes en Hilversum waar de bevrijding werd gevierd. Maar bij ons was het een angstige, doodse stilte. Die avond of nacht werd de SS-er door zijn superieuren duidelijk gemaakt dat de capitulatie ook op hem sloeg, zodat wij zondag de bevrijding konden vieren. Wij deden dat bij de heer Kruize, hoofd van het Nationaal Steunfonds in het Gooi en mijn oud-collega in het Bestuur van de Nederlandse Unie. Het bleek toen dat deze zich ook zeer actief had betoond in andere illegale activiteiten. Zo had hij enige geallieerde piloten bij zich ondergedoken gehad, die op het feest natuurlijk geweldig gefêteerd werden. Zijn dochters hadden uit oranje parachutes jurken gefabriceerd. Alles bij elkaar was het een groot feest.
De dag daarop kwam echter weer een anti-climax. Ik was naar Amsterdam gefietst en ging, nadat ik eerst naar mijn kantoor was geweest, naar het kantoor van Mr. G. Bergsma die met geld dat hij van de heer Ter Meulen ontving een groot aantal illegale groepen van contanten voorzag. Dit kantoor was op de hoogste verdieping van de Industriëele Club op de hoek van het Rokin en de Dam. Ik stond voor een raam naar de Dam te kijkenwaar het stampvol met mensen stond die een paar kleine Canadese pantserwagentjes, die een rondtour om de Dam hielden, toejuichten en met bloemen bestrooiden. Toen deze weer weggereden waren, hoorde ik schieten en zag dat van het dak van de Nieuwe Kerk allemaal scherven afsprongen. Direct daarna schoten de Duitsers die, naar later bleek, zich volkomen bedronken hadden, vanuit de Groote Club – waar zij gelegerd waren – ophet publiek op de Dam. Het was een afgrijselijk gezicht. De mensen renden in paniek naar het Damrak, Nieuwendijk, Rokin, waar zij maar kon den komen. In enkele ogenblikken was de Dam leeg, behalve dat enige tientallen mensen dood of gewond waren blijven liggen. Na enige minuten kwam opeens een jongen in padvindersuniform aanrijden met een bakfiets, waarop hij met een stok een witte lap had aangebracht. Hij reed de Dam op en wist één of twee gewonden op zijn bakfiets te laden. Wij hielden allen onze adem in maar gelukkig schoten de Duitsers niet. Even later kwam langs het Rokin een auto aanstuiven waarin keurig vier aan vier op een rijtje Grüne Polizei-mensen zaten met het geweer tussen de knieën. Het was ons duidelijk dat dezen uit de Orts-Kommandantur kwamen om een eind aan de moordpartij te maken. Enige BS-ers die op het Rokin waren, begrepen dit klaarblijkelijk niet en beschoten de auto met hun stenguns. De Duitsers kegelden door elkaar, één viel dood uit de auto; de chauffeur gaf vol gas en in plaats van de Dam op te rijden, verdween hij – zeer begrijpelijk overigens – langs het Damrak. Na een, voor ons, lange tijd kwam een auto aanrijden met erin een Duitse officier en naast hem Carel Overhoff, Voorzitter van de Vereeniging voor de Effectenhandel, maar nu in zijn kwaliteit van hoofd van de BS in Amsterdam. De auto hield stil op de hoek van het Damrak en de twee liepen over de Dam en verdwenen in de Groote Club. Uiteraard was hiermee een einde gekomen aan de schietpartij. Er heeft zich bij deze schietpartij nog iets bijzonders voorgedaan. Na de bezetting van Oostenrijk door de Nazi’s was een bioloog, Dr. H. A. L. Trampusch, uitgeweken naar Nederland aangezien hij niet onder een Nazi-bewind wilde leven. Hij kreeg een functie bij de Gemeente Universiteit, maar toen ook ons land door de Nazi’s bezet was, kreeg hij na enige tijd een oproep om in het leger te dienen. Hij was immers nu Duitser! Hij gaf hieraan geen gevolg, dook onder, gaf ‘zwarte’ colleges en bemoeide zich met allerlei illegaal werk. Op de beruchte 7 mei 1945 bevond hij zich met een groep BS-ers gewapend onder meer met een bazooka, op de Dam voor het Paleis. Toen het schieten begon, wilden zijn mannen met de bazooka terugschieten, maar hij beval dit niet te doen en holde naar het telecommunicatiegebouw op de N.Z. Voorburgwal. Vandaar belde hij de Groote Club op en gaf, voorgevend de Ortskommandant te zijn, vanzelfsprekend in foutloos Duits, orders terstond het vuren te staken, want anders…!
Toen de Nederlanders later op die dag de Groote Club binnenkwamen, bleek hun dat in de grote conversatiezaal op de hoek van Dam en Kalverstraat tegen de muren duizenden landmijnen vier dik stonden opgeslagen, waarschijnlijk om, wanneer het in Amsterdam tot vechten zou komen, van de Groote Club een zogenaamde Egelstelling te maken. Het is niet voor te stellen wat er met de gebouwen op de Dam en Kalverstraat gebeurt zou zijn indien met de bazooka die zaal beschoten zou zijn, met als gevolg dat natuurlijk alle landmijnen tegelijk de lucht in zouden zijn gegaan. Trampusch is kort na de oorlog genaturaliseerd en is nu al jaren lector aan de Universiteit van Amsterdam.

Men zal begrijpen dat ik na die moordpartij geen enkele behoefte meer had in Amsterdam te blijven en ik stapte op mijn fiets om terug naar huis te gaan. Toen ik in de buurt van Muiden kwam, werd ik gewaarschuwd dat de Duitsers de brug over de Vecht hadden afgesloten en alle fietsen in beslag namen. Men gaf mij de raad maar direct naar Amsterdam terug te gaan. Ik vermoed dat de Duitsers, die natuurlijk begrepen dat zij naar een gevangenkamp zouden worden afgevoerd, geen zin hadden om te voet daarheen te gaan!
Nu had ik al geruime tijd een stuk in mijn bezit, voorzien van prachtige stempels, waarin verklaard werd dat ik belast was met zeer belangrijk werk voor de Wehrmacht en dat alle burgerlijke en militaire ‘Behörden’ mij desgevraagd hulp en steun moesten geven. Ik had daar nooit gebruik van hoeven te maken, waar ik wel blij om was, want ik wist dat het stuk niet af-komstig was van de Duitsers maar van een illegale vervalsingsorganisatie. Ik was te nijdig over wat ik had meegemaakt om eindeloos om te rijden zonder zekerheid dat de Duitsers elders géén fietsen zouden stelen. Ik bedankte de mensen die mij gewaarschuwd hadden, maar reed rustig door. Bij de brug stonden de Duitse soldaten met een aantal reeds gestolen fietsen. Een hield mij aan en zei dat mijn fiets gevorderd was. Ik haalde het papier voor de dag dat hij aandachtig las en met een buiging teruggaf. Toen klakten zijn hakken tegen elkaar, salueerde hij en wenste mij ‘gute Fahrt’! Er stonden veel Hollanders omheen die wel gedacht zullen hebben dat ik een ontzettend erge collaborateur was geweest!


Views: 11292

2 Reacties

  1. Pingback: Henri ter Meulen – Stichting Memorial

  2. Pingback: L.C. Weeda, A.H. Eikema en G. Meertens – Stichting Memorial

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.