Tonny van Renterghem

Tonny van Renterghem 1944

Tonny van Renterghem
1944. foto gemaakt door Marius Meijboom

Tonny van Renterghem
(Amsterdam, 28 juni 1919 – Sequim, 19 juli 2009)
was een Nederlands schrijver, die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief was in het verzet en oprichter was van de illegale fotogroep De Ondergedoken Camera, die veel belangrijke oorlogsfoto’s maakte.

Met toestemming van zijn weduwe Susanne Severeid, uitgeverij Conserve, en met hulp van Pauline Wesselink, mochten we een deel van zijn boek “De Laatste Huzaar” hier opnemen. Tonny reed mee met de verkenningseenheid van de Polar Bears die rond het middaguur op de Dam verscheen.

——————————————————————————————————–

1001004007241496

Amsterdam Bevrijd
Deel van een hoofdstuk uit:
De laatste huzaar – Verzet zonder kogels
door Tonny van Renterghem, Conserve – 2010
ISBN 978 90 5429 294 4

Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog
Meer info over dit boek: www.conserve.nl (Tweede Wereldoorlog)

 

 

Hoofdstuk 20

Amsterdam Bevrijd
De volgende dag, 7 mei, een heldere zonnige dag, kreeg ik bij zonsopgang het bevel mij met de STANS-groep* naar de Berlagebrug te begeven om daar zonodig de orde te handhaven en om de eerste geallieerde troepen namens de commandant BS** en de stad Amsterdam welkom te heten, en hen naar het stadscentrum en het stadhuis op de Oudezijds Voorburgwal te begeleiden. Een uur later verscheen er een gammele oude auto met Britse militaire kentekens. Op het dak zat (op een bagagerek) de bekende Nederlandse fotograaf Sem Presser, hij droeg het Britse militaire oorlogscorrespondentuniform. Hij kreeg een geweldig applaus van het publiek en hij attendeerde ons erop dat de eerste Britse verkenningswagens in aantocht waren. Hij ontmoette onze STANS ‘Ondergedoken Camera’ fotograaf, Charles Breyer, een oude vriend en ze zetten samen hun camera’s op om dit historische ogenblik vast te leggen.

Wij konden reeds van zéér grote afstand het gejuich voor de aankomende troepen horen en hadden veel moeite om met hulp van een ‘als uit de as herrezen’ groep oudere padvinders (door Hitler verboden) een nauw pad voor de aankomende gepantserde voertuigen open te houden door de opdringende, aanzwellende massa van duizenden mensen. Ieder huis was vol Nederlandse vlaggen, iedereen had iets met ‘oranje’, er werd veel gelachen en er waren betraande gezichten. Velen hadden bloemen: hoe ze eraan kwamen, weet ik niet. De voertuigen waren van het Britse 49e Verkenningsregiment, een onderdeel van de beroemde Polar Bear divisie. In mijn capaciteit als ‘Chief of Staff of the Dutch Resistance in Amsterdam-South’ verwelkomde ik hun commandanten, de luitenanten George Bowman en Rafferty van het B. Squadron British 49th W.R. Reconnaissance Regiment. (Dit feit is nu officieel door de stad Amsterdam erkend en bevestigd). Ik klom op de eerste verkenningswagen om hen de stad in te leiden.

Op dat moment werd mij per radio verzocht de STANS-groep onder wachtmeester Ben Warner meteen naar het Vondelpark, hoek Amstelveenseweg te sturen om daar met de hulp van een Duitse officier te proberen een schietpartij te stoppen tussen BS en Duitse soldaten; een actie die al enkele levens had gekost. Ik moest zelf echter bij de Britten blijven om hen naar het centrum en de commandant BS te brengen. Wij reden met de drie gepantserde verkenningswagens zeer snel via de Ferdinand Bolstraat, Stadhouderskade en de Leidsestraat naar het Rokin. Het publiek keek overal zeer verbaasd bij de onverwachte verschijning van deze eerste ‘bevrijders’ en barstte dan in luide hoera’s uit, maar we konden niet stoppen.

Idiote nieuwbakken verzetsjongens begrepen niet altijd dat de oorlog voorbij was en wilden hun stenguns eindelijk weleens gebruiken om nog even op ‘de moffen’ te schieten. Maar ook felle SS’ers die woedend waren op de Wehrmacht die ‘Hitler verraden had’ door zich over te geven, schoten soms niet alleen op het verzet maar ook op hun eigen Duitse Wehrmacht.

Op het Rokin liepen we in een geweldige menigte vast die ons juichend ontving, de situatie werd hachelijk toen er achter ons plotseling een grote colonne ordelijk marcherende Duitse infanteristen verscheen, kennelijk op weg naar het Museumplein om daar hun wapens in te leveren voor de overgave. Ook zij konden niet verder en hun officier gaf het bevel te stoppen. Het waren voornamelijk Feldgendarmerie, de z.g. Grüne Polizei, een soort Duitse Marechaussee, maar er waren ook Waffen-SS’ers bij in hun camouflage poncho’s. Het publiek gebruikte scheldwoorden en ik voelde me alsof ik midden in een reuze plas benzine stond waarin een enkel vonkje de hele boel kon doen ontploffen. De Britten deden heel nonchalant, maar doken wat dieper in hun pantserwagens weg. Ik zag een staaltje van de Duitse militaire discipline. Ze stonden er zonder uitdrukking als bevroren bij, maar met hun wapens gereed. Hun officier keek de menigte even aan, draaide zich om en gaf in het Duits het bevel ‘Rechtsomkeert!’ Als één man draaide de colonne zich om en marcheerde terug waar zij vandaan kwam om een zijstraat verder weer richting Museumplein te marcheren.

Tonny van Renterghem, rechts op de auto. Beeldbank WO2 – NIOD

Tonny van Renterghem, rechts op de auto.
Beeldbank WO2 – NIOD

Op dat ogenblik verscheen er een motorordonnans van majoor Claus met het bevel zo spoedig mogelijk met de motorordonnans naar Amsterdam-Zuid terug te gaan om hem met een gevaarlijke situatie te helpen bij het Gestapo SD-hoofdkwartier op de Noorder Amstellaan (nu: Churchilllaan) waar de vlag met de swastika nog steeds wapperde en waar een hevige schietpartij was uitgebroken tussen SS’ers en SD’ers enerzijds en een fanatieke BS-verzetsgroep anderzijds die het gebouw wilde bestormen. Ik verzocht een rondlopende BS-officier de Britten naar de Dam en het stadhuis te leiden. Ik verontschuldigde mij tegenover luitenant Bowman, die vlug een paar woorden op een papiertje schreef en mij verzocht dit later voor hen aan het stadhuis af te geven, de tekst luidde: ‘The first troops to enter this city were Nos 1 & 4 Jps of B’squadron 49th (W.R.) Recce Regiment’ (ik heb voordat ik het briefje afgaf er een fotokopie van laten maken. Bij het stadhuis schijnen ze het briefje verloren te hebben, gelukkig was er de kopie).

Ik reed achterop bij de motorordonnans terug naar Amsterdam-Zuid. Later hoorde ik dat de Engelsen de Dam bereikt hadden, maar dat er zo’n enorme menigte was en dat er ook nog Duitse troepen waren, dat ze het beter achtten, per radio verslag aan hun hoofdkwartier uit te brengen. De verbinding was echter slecht en daarom reden ze terug richting Berlagebrug, waar ze de radio weer konden gebruiken. Ze ontvingen het bevel daar op hun hoofdmacht te wachten die zich binnen een uur bij hen zou voegen.

Ben Warner en anderen van STANS, de plaatselijke BS en de Duitse officier in het Vondelpark en op de Amstelveenseweg hadden de situatie onder controle gekregen, maar ze konden niet naar Zuid teruggaan. Commandant Overhoff had STANS officieel tijdelijk tot Militaire Politie benoemd en wilde hen als ere-escorte voor zijn vertegenwoordiger Max van Raalte gebruiken voor het officieel maken van de Duitse overgave van Schröder aan de BS, die zou plaatsvinden voor het hoofdkwartier van de Wehrmacht in de Johannes Vermeerstraat. De Duitsers hadden daar reeds overal Nederlandse vlaggen gehesen.

Ik ontmoette majoor Claus en een burger BS-verzetsleider in een huis van waaruit we het Gestapo/SD gebouw duidelijk konden zien. De vlag met de swastika wapperde nog steeds uitdagend boven het gebouw, maar er was geen mens te bekennen, hoewel er nog zo nu en dan schoten werden uitgewisseld. De (burger)BS’er probeerde Claus over te halen zijn groep met pelotons uit Amsterdam-Zuid bij te staan om het gebouw aan te vallen en wilde maar niet begrijpen dat de oorlog voorbij was. Ik was van mening dat dit makkelijk opgelost kon worden als één van ons gewoon met hen ging praten. ‘Ga je gang maar,’ antwoordde hij ietwat honend; dat ik dat rustig mocht doen, maar dat ze tot nu toe op iedereen hadden geschoten. Ik dacht er anders over. Ik deed mijn officierskoppel en pistool af, leende een zwarte jekker die ik daar zag hangen en bevestigde daar een BS-armband op met daar overheen, losjes gespeld een luchtbeschermingsarmband. Ik rolde een grote Nederlandse vlag in een witte keukendoek en in mijn rechterhand hield ik een witte doek omhoog om mee te zwaaien. Ik zag er ongevaarlijk uit en wekte de indruk ongewapend te zijn. Het plan was de hoek om te gaan en rechtstreeks met de witte lap zwaaiend van de straat naar hun voordeur te lopen en daar gewoon aan te kloppen na vlug mijn luchtbeschermingsarmband verwijderd te hebben. Om ze verder te verwarren en te laten denken dat ik zelf een Duitser was, floot ik het populaire Duitse marslied Erika en zelfs wat noten van het Horst Wessellied. Zoals ik had verwacht liep het goed af. Er werd niet op me geschoten en nadat ik aanklopte en in goed militair Duits zei dat ik ongewapend ben en als liaisonofficier met Herr Blumenthal wil spreken betreffende hun veiligheid, werd ik binnengelaten door een slecht Duitssprekende gluiperige Nederlander in burger met een machinepistool. Het rook naar verse koffie en ik zag dat er een tiental andere bewapende mannen en twee vrouwen in het donkere vertrek zaten en twee anderen bij de ramen op de uitkijk stonden. De meesten droegen SD-uniformen. Een stem uit de achterkamer riep: ‘Was gibt’s?’ De Nederlander antwoordde dat ik met Blumenthal wil spreken. Er werd wat gegrinnikt en een zéér jonge SD-Untersturmführer kwam de kamer binnen met een kop koffie in de hand en zei: ‘Ja, das möchten wir ja allen gerne!’

Het bleek dat commandant Blumenthal hen hier had achtergelaten en zelf met een sportvliegtuigje naar Duitsland was gevlucht. De jonge SD-officier had nu het bevel en de verantwoordelijkheid voor de manschappen overgenomen:‘Maar, eh, Wer sind Sie? Ik stelde me voor als ‘majoor’ (een leugentje, maar het klinkt beter dan kornet) von Renterghem, liaisonofficier voor de geallieerden en voor de leiding van het verzet in Amsterdam, en dat ik hier was om maatregelen te treffen om hun veiligheid te kunnen waarborgen totdat de geallieerde militaire politie deze taak van ons zou overnemen. Wij gingen in het kantoor van Blumenthal zitten en ik kon het niet nalaten om brutaal over mijn schouder naar de Nederlander die mij had binnengelaten, in het Nederlands te roepen: ‘Hé kerel, voor mij ook een koppie koffie, ja? Gewoon, maar met één klontje.’ Hij bracht me inderdaad een kop koffie, heerlijke echte koffie!

Ik legde aan de jonge SD’er uit hoe we met Ortskommandant Schröder overeengekomen waren, voor hun eigen veiligheid, de Duitse vlag te strijken en door een Nederlandse vlag te vervangen (ik overhandigde hem hierbij de vlag die ik had meegebracht), om de ramen en verduisteringsgordijnen dicht te houden en van de ramen en deuren weg te blijven. Hun wapens mochten ze, indien ze bang waren om gelyncht te worden, voorlopig houden, totdat de Britten of Amerikanen de bewaking overnamen. Zodra dit gedaan was, zou ik ervoor zorgen dat er BS-schildwachten bij de voor- en achterdeur zouden staan die niemand in of uit zouden laten. Hij ging met alles akkoord en nam de vlag van mij aan. Hij keek mij aan, schudde zijn hoofd en zei: ‘Wat ik niet begrijp is, u bent kennelijk geen slechte kerel, waarom staat u niet aan onze kant, tegen de bolsjevisten; die zullen nu heel Oost-Europa beheersen en de Amerikaanse kapitalisten, die zullen nu de hele Europese economie overnemen. Wij hadden de kans voor één verenigd Europa.’

‘Onder Hitler,’ voegde ik eraan toe en hij knikte: ‘Ja, onder Hitler’. Hij had natuurlijk gedeeltelijk gelijk. Gedeeltelijk waar, maar grotendeels onwaar, zoals alle nazi-propaganda van Joseph Goebbels. Het bleek ook dat hij vanaf zijn prilste jeugd in de Hitler Jeugd was opgevoed, daarna rechtstreeks bij de SS kwam, enz. Ja, natuurlijk, een verenigd Europa, ons aller droom…, maar zonder Goebbels’ hersenspoeling en zeker niet onder Hitler! Maar hij had erin geloofd. Terwijl ik opstond zag ik toevallig een spiksplinternieuwe Hasselblad Reflexcamera die op het bureau lag. Hij merkte het op en overhandigde mij de camera: ‘Das war Blumenthal’s, bitte nehmen Sie das mal. Ein andenken. Sonst nehmen die Amerikaner es doch sofort.’ Hij zuchtte: ‘Och Mensch es ist, es war alles doch quatsch!’ Hij draaide zich om, en met een brok in de keel mompelde hij iets van ‘Ich verstehe nicht mehr; ich verstehe es nicht.’ Ik kon alleen maar ‘Danke’ zeggen en verliet het gebouw met de angstig grinnikende Gestapoboeven. Weer veilig aan de overkant, keek ik naar het gebouw en zag net hoe de jonge man persoonlijk de vlag met de swastika omlaag haalde…

Terwijl ik mijn honger stilde met crackers met Spam uit een gedropt Amerikaans noodrantsoenblikje, bracht ik rapport uit aan Claus. Nog geen vijf minuten later stonden er twee nette, met stenguns bewapende BS’ers op wacht, in hun overalls, met een Nederlandse helm op en met BS armband om, onder de nieuwe, wapperende Nederlandse vlag, voor de deur van wat nog geen uur geleden de voordeur was van de zo gevreesde SD en Gestapo. Er was geen schot gelost en er waren hier verder geen incidenten.

*STANS – verbastering van STANZ (Stormgroep Amsterdam Nieuw Zuid)

**BS – Binnenlandse Strijdkrachten

Over de auteur:

Tonny van Renterghem (Amsterdam 1919) overleed op 19 juli 2009 in Sequim Verenigde Staten. Hij heeft in dit boek zijn herinneringen realistisch en met de nodige humor beschreven. Hij publiceerde in 1996 bij Kosmos het succesvolle boek Het geheim van Sinterklaas en de Kerstman.

———————————————————————————————————

Susanne Severeid, de veel jongere echtgenote van Van Renterghem, heeft met hem gewerkt aan De laatste huzaar. Zij is de schrijver van The Death of Milly Mahoney, in 2009 door Conserve gepubliceerd onder de titel De dood van Milly.

Pauline Wesselink deed de vertaling en redactie van De laatste huzaar. In 1998 publiceerde zij bij Conserve Ik was een tijdje een ander en in 2004 samen met Do du Preez-Verleun Soldaat in Verzet.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *