L.C. Weeda, A.H. Eikema en G. Meertens

Protocol betreffende beschieting op den Dam op 7 mei 1945.

Heden verschenen voor ons Mr. G.Bergsma en L.L.G.D.Meertens op Maandag 7 mei 1945 te 17 uur de volgende personen:
L.C. Weeda,
Mej.A.H. Eikema,
G.Th.M.J. Meertens,
die gezamenlijk de volgende verklaring aflegden betreffende de fusillade die op den 7en mei 1945 plaats vond op den Dam te Amsterdam te ca. 15 uur 10 min.
Wij bevonden ons in het gebouw Industria, Vijgendam 2-6 op de vierde verdieping voor de ramen die uitzicht op den Dam geven, alwaar wij keken naar de menigte die daar vereenigd was in afwachting van de komst der Canadeesche troepen.

Plotseling begon de menigte in groote haast de Dam te ontruimen, zoodat vanaf de Groote Club een leegte ontstond. Tijdens deze ontruiming, die het karakter van een vlucht aannam, werden schoten gelost waarvan wij de inslagen konden constateeren op ca 10 a 12 M. hoogte van den begane grond in de gebouwen tussen Nieuwendijk en Damrak. Een groot deel der vluchtenden wierp zich plat op den grond en trachtte dekking te zoeken.

Na ophouden van de eerste serie schoten trachtte het grootste gedeelte van het publiek van het Damterrein weg te vluchten. Echter binnen een tijdsverloop van max. 10 seconden na het einde van de eerste serie schoten, volgde een tweede serie schoten waaronder mitrailleurvuur rechtstreeks gericht op het vluchtende of nog op den grond liggende publiek, waaronder geen leden van de N.B.S. te constateeren waren.

Na de fusillade bleef een groot aantal menschen liggen, klaarblijkelijk dood of gewond tusschen Nieuwendijk en Damrak of vlak voor het trottoir. Leden van de N.B.S. waren uitsluitend zichtbaar vlak voor het paleis, waar zij na de fusillade dekking genomen hadden achter de aldaar opgebouwde muziektent en in de ingang van het paleis.

Aldus geopend, opgemaakt en gesloten te Amsterdam op Maandag 7 Mei 1945.

w.g.
L.C.Weeda
A.H.Eikeme
G.Meertens
G.Bergsma
L.Meertens.

Ondertekend origineel nog
bij den laatst onderteekende.

 

[AANVULLENDE VERKLARING]

Aan den C.B.T.
Betreft: Fusillade op den Dam op 7/5 ’45.

Ik doe U nog wel mijn verontschuldiging toekomen voor de gedeeltelijk onjuiste melding. In plaats van “zonder eenige aanleiding” had ik moeten vermelden:” zonder eenige voor ons waarneembare aanleiding”.
Toch zou het mij zeer verwonderen, als de U in eerste instantie gegeven verklaring, nml. een poging tot ontwapening door de N.B.S. juist zou blijken; ik heb zoo veel mogelijk navraag gedaan bij menschen die zich op den Dam bevonden doch heb niemand kunnen vinden die daar iets van gemerkt heeft. Als deze verklaring dus uitsluitend van Duitsche zijde afkomstig zou zijn, is er m.i. alle reden tot wantrouwen.

Wat echter ook de aanleiding geweest moge zijn, het feit van de fusillade is zoo ernstig, dat m.i. de in de Groote Club aanwezige militairen op zijn minst als verdacht van oorlogsmisdrijf beschouwd dienen te worden. Ik voeg hierbij afschrift van een protocol, waaruit duidelijk blijkt, dat er eerst geschoten is met omhoog gericht vuur doch dat men nog geen 10 seconden later, terwijl de menschen die zich in paniek op den grond geworpen hadden nog gedeeltelijk aan het opstaan waren, recht op het publiek heeft ingeschoten. Het zwaarste vuur was klaarblijkelijk gericht op het gedeelte van den Dam tusschen Nieuwendijk en Damrak, waarheen de meeste menschen waren gevlucht en dit, terwijl op dit gedeelte geen enkele N.B.S.er was te constateeren. Bij de gewonden en gedooden op dit gedeelte bleek ook geen enkele N.B.S.er te liggen. De N.B.S. was integendeel geconcentreerd vlak bij het paleis.

Het publiek was van te voren in het algemeen in een stemming die het beste gequalificeerd kan worden door “feestelijke afwachting”. Van groote uit-bundigheid, zooals b.v. vroeger op Koninginnedag was eigenlijk geen sprake. Zijn er dingen gebeurd waarvoor de Duitschers gevoelig geweest zijn? Ik heb het niet kunnen constateeren; het doet er ook niets toe; menschen die op deze wijze hun gekwetste gevoelens afreageeren behooren tot de oorlogsmisdadigers. Ik kan iedereen nog eens de requisitoirs ter lezing aanbevelen van v. Genechten tegenover de officieren die N.S.B.’ers in de Meidagen gearresteerd hebben.

De hoofdzaak is deze: voorzover mij bekend bevonden zich in de Groote Club losse contingenten van de Wehrmacht, die van verschillende punten afkomstig waren. Men zal de registratie-gegevens hierover wel vernietigd hebben. Zijn deze menschen eenmaal tusschen de anderen in een groot krijgsgevangenkamp, dan zijn zij moeilijk of niet meer te vinden. Ik zou U dus willen vragen, of U maatregelen kunt laten nemen, dat bij het overgaan in krijgsgevangenschap en hangende een nader onderzoek de officieren en manschappen uit de Groote Club afzonderlijk worden ondergebracht.

Hoe kan verder de Gruene Polizei met twee volledig bemande overvalwagens rondrijden en zich in het gevecht mengen, terwijl de Gruene Polizei volgens de Capitulatie-bepalingen door de Wehrmacht ontwapend diende te zijn. En de officieren en manschappen van de Gruene Polizei die hiervoor verantwoordelijk zijn en degenen die met de ontwapening nalatig zijn geweest, behooren gestraft te worden. Men mag ons rechtsgevoel niet krenken; daarvoor heeft ons volk in deze jaren en zelfs nu nog, nadat Hare Majesteit gesproken heeft van “weer vrij op eigen erf” te veel geleden.

Afd. Asd.
8/5’45.

Bron: NIOD, verklaringen BS 2856 en 2857

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *